Luise Gottsched's reactie Scheibe-Birnbaum (1739)
Na zijn kritiek op Bach in Der Critische Musicus (nr. 6) en professor Birnbaum's verdedigingsschriften zoekt J.A. Scheibe steun bij zijn grote voorbeeld en idool: Prof. J. Chr. Gottsched. Hij wil immers voor de muziek hetzelfde als Gottsched voor de literatuur. Hij vraagt dus om een bespreking van zijn nog jonge Hamburgse muziektijdschrift (en wel met name de polemiek) in het toonaangevende Duitse literatuurtijdschrift van dat moment: Beyträge zur Critischen Historie der Deutschen Sprache, Poesie und Beredsamkeit. Gottsched's doet dat in het 23ste nummer (1740) door een uitgebreid overzicht te geven van de onlosmakelijk band tussen poëzie in muziek in de oudheid, een zeer leerzaam stuk (10 bladzijden lang)... maar dan reikt hij de pen over aan zijn vrouw Luise Gottsched (dit is zeker, op grond van de bedankbrief van Scheibe aan Gottsched, aldus Maul, 2012, p. ). Of heeft zij het hele artikel geschreven? Bij de Gottscheds is dat niet onmogelijk, zoals recent onderzoek heeft aangetoond: veel van de veren waarmee de grote man Gottsched zich heeft getooid, blijken van zijn vrouw afkomstig. De Duitse wiki is goed gestoffeerd, of andershet artikel in het Ubersetzerslexikon) om te reageren op de polemiek tussen Scheibe en Birnbaum, d.w.z. over de aanval op de cantor, director musices te Leipzig, sinds kort ook hof-compositeur van de keurvorst te Dresden. Waarom Luise? Zij speelde klavecimbel en luit, en wist precies waarover het ging. Haar reactie op de ontvangst van de Clavierübung (cadeau van haar verloofde) is veelzeggend. Zal zij meegaan in het discours van Scheibe? Onder afbeeldingen het antwoord.

|
Gottsched (J.C of/en Luise) : Bespreking van het
tijdschrift van J. A. Scheibe
Critischer Musicus (Beyträge XXIII, nr. VIII, 1740, p. 464-465) |
|
| In die
Streitigkeiten welche der Herr Verfasser mit Herrn M. Birnbaum
gehabt, wollen wir uns hier gar nicht einlassen. Wir melden nur so
viel, daß die Beantwortung der unpartheyischen Anmerkungen über eine
bedenkliche Stelle in dem 6ten Stücke des critischen Musikus daher
ihren Ursprung habe, welche man dem Buche angehänget findet. 465 Uebrigens freuen wir uns, daß sich der gute Geschmack und sonderlich die Reinigkeit der deutschen Schreibart, auch in der Musik so stark ausbreitet, zumal da Deutschland heute zu Tage in der praktischen Musik es mit allen Ländern der Welt aufnehmen kann. Man verehret einen deutschen Händel in England; Hasse wird von den Italiänern bewundert; Telemann hat sich neulich in Paris nicht wenig Ehre und Beyfall erworben, und Graun machet gewiß unserm Vaterlande bey allen Kennern seiner Stücke viel Ehre. Was soll ich von Bachen und Weiß [Weißen] sagen? Anderer geschickten Männer zu geschweigen, die wir den Ausländern entgegen setzen könnten? Wie hoch würde nicht noch die Musik unter uns steigen? Wenn man den vernünftigen Vorschlägen, des Herrn Mathesons und unsers Herrn Scheiben wegen Verbesserung der musikalischen Wissenschaft und wie die Musik in noch bessere Aufnahme zu bringen sey, folgen wollte. |
In de geschillen die de heer
auteur met de heer M. Birnbaum heeft gehad,
willen wij ons hier
totaal niet mengen. Wij melden slechts dat de beantwoording van de
onpartijdige opmerkingen over een bedenkelijke passage in het 6e
deel van de 'Critische Musikus' daar haar oorsprong vindt, welke men
als bijlage bij het boek vindt. 465 Overigens verheugt het ons dat de goede smaak, en in het bijzonder de zuiverheid van de Duitse schrijfstijl, zich ook in de muziek zo sterk uitbreidt, temeer daar Duitsland tegenwoordig in de praktische muziek de strijd kan aanbinden met alle landen ter wereld. Men vereert een Duitse Händel in Engeland; Hasse wordt door de Italianen bewonderd; Telemann heeft onlangs in Parijs niet weinig eer en bijval geoogst, en Graun strekt ons vaderland bij alle kenners van zijn stukken zeker tot grote eer. En wat moet ik dan nog zeggen van Bach en Weiss? Om nog maar te zwijgen van andere bekwame mannen die wij tegenover de buitenlanders zouden kunnen stellen. Hoezeer zou de muziek onder ons niet nog verder stijgen, als men de verstandige voorstellen van de heer Mattheson en onze heer Scheibe zou volgen, betreffende de verbetering van de muziekwetenschap en de wijze waarop muziek nog beter ontvangen zou kunnen worden. |
| Selbst unsre Muttersprache würde dadurch
nicht wenig gewinnen, wenn alle obennannte große Künstler, von einem
patriotischen Eifer angetrieben, eins würden, künftig in Cantaten
und Singespielen keine andre als deutsche Texte zu componiren. In
Wahrheit, wie bisher die Welschen uns bloß durch ihre Musik ihre so
unnatürliche Poesien aufgedrungen haben: So würden wir bald die Zeit
erleben, daß ganz Europa um der deutschen Musik halber, auch lauter
deutsche Texte singen würde. |
Zelfs onze moedertaal zou daar niet weinig bij winnen, indien alle bovengenoemde grote kunstenaars, gedreven door een patriottische ijver, het erover eens zouden worden om voortaan in cantates en zangspelen geen andere dan Duitse teksten te componeren. In waarheid, zoals de 'Welsen' (Italianen/buitenlanders) ons tot nu toe puur door hun muziek hun zo onnatuurlijke poëzie hebben opgedrongen: zo zouden wij spoedig de tijd beleven dat heel Europa, vanwege de Duitse muziek, ook louter Duitse teksten zou zingen. |
