Handtekening van Johann Sebastian Bach

Scheibe's kritiek op Bach (1737)

Op 14 mei 1737 verscheen in Hamburg de 6de aflevering van de Critische Musicus, begin dat jaar opgericht door J.A. Scheibe (1708–1776, zoon van de orgelbouwer, had jura en filosofie in Leipzig gestudeerd, organist, was als muziekcriticus voorstander van de nieuwe 'galante stijl'). In dit nummer gebeurt iets bijzonders. Een "Brief eines reisenden Musikanten" (brief van een rondtrekkende muzikant) onderbreekt op de eerste pagina het net aangevatte artikel over Gottsched. Die brief bevat een geanonimiseerde beschrijving van een hele serie hoog aangeschreven musici, per stad. De stijl is satirisch, behoorlijk scherp. Tegen het eind passeert een uitzonderlijk begaafde toetsenist (beide op het clavecimbel en op het orgel) de revue, die ook nog eens bijzonder vernuftige contrapuntische composities schrijft. In de lof is de kritiek al verpakt. In het tweede deel wordt die uitgepakt. Voor elke lezer is duidelijk dat het hier over J.S. Bach gaat. Overigens wordt Bach —vergeleken met sommige van z'n collega's die hem voorafgaan — met veel respect behandeld.

Scheibe vond Bach’s muziek te gecompliceerd, overladen met kunstmatige versieringen, en daardoor een tekort aan natuurlijkheid en schoonheid. Bachs muziek spreekt niet aan (unannehmlich, galant), is te complex (verworren) en hoogdravend, gezwollen (schwülstig) en aldus tegennatuurlijk (wider die Natur). Dat kan tellen. Bach reageert zelf niet, maar Johann Abraham Birnbaum (1702-1748), hoogleraar welsprekendheid in Leipzig en vriend/bewonderaar van Bach, neemt de handschoen op. Hij schrijft een uitgebreide repliek: Unpartheyische Meinung noemt hij dit partizanengeschrift (28 bladzijden; Scheibe's passage beslaat goed en wel 1 bladzijde, z.b.). Scheibe reageert prompt, licht toe, breidt uit (40 bladzijden). Birnbaum's tweede verdedigingsgeschrift (Vertheidigung) beslaat maar liefst 96 pagina's en bevat de beroemde passage over de klaviertijgerwedstrijd Marchand-Bach. Het vloeit voort uit de opmerking in de eerste publicatie over dat er 'maar één persoon' is die zich met Bach kan meten (Wie dan? vraagt Birnbaum... Scheibe: Handel, maar ook nog wel een aantal degelijke Fransen etc.). Birnbaum heeft z'n geschriften aan Bach opgedragen en met hem overlegd.

Hieronder het stuk waar het allemaal mee is begonnen.

 

Duits origineel Nederlandse vertaling
Der Herr ...  ist endlich in ... der Vornehmste unter den Musicanten. Er ist ein ausserordentlicher Künstler auf dem Clavier und auf der Orgel, und er hat zur Zeit nur einen angetroffen, mit welchem er um den Vorzug streiten kan. Ich habe diesen grossen Mann unterschiedene mahl spielen hören. Man erstaunet bey seiner Fertigkeit, und man kan kaum begreifen, wie es möglich ist, daß er seine Finger und seine Füsse so sonderbahr und so behend in einander schrencken, ausdehnen, und damit die weitesten Sprünge machen kan, ohne einen einzigen falschen Thon einzumischen oder durch eine so heftige Bewegung den Körper zu verstellen.

Dieser grosse Mann würde die Bewunderung gantzer Nationen seyn, wenn er mehr Annehmlichkeit hätte, und wenn er nicht seinen Stücken durch ein schwülstiges und verworrenes Wesen das Natürliche entzöge, und ihre Schönheit durch allzugrosse Kunst verdunkelte.

Weil er nach seinen Fingern urtheilt, so sind seine Stücke überaus schwer zu spielen; denn er verlangt die Sänger und Instrumentalisten sollen durch ihre Kehle und Instrumente eben das machen, was er auf dem Claviere spielen kan. Dieses aber ist unmöglich. Alle Manieren, alle kleine Auszierungen, und alles, was man unter der Methode zu spielen verstehet, druckt er mit eigentlichen Noten aus;

und das entziehet seinen Stücken nicht nur die Schönheit der Harmonie, sondern macht auch den Gesang durchaus unvernehmlich. Alle Stimmen sollen mit einander, und mit gleicher Schwierigkeit arbeiten, und man erkennet darunter keine Hauptstimme.

Kurtz: Er ist in der Music dasjenige, was ehemahls der Herr von Lohenstein in der Poesie war. Die Schwülstigkeit hat beyde von dem natürlichen auf das künstliche, und von dem erhabenen auf das Dunkle geführet; und man bewundert an beyden die beschwerliche Arbeit und eine ausnehmende Mühe, die doch vergebens angewendet ist, weil sie wider die Natur streitet.

Johann Adolf Scheibe
Quelle: Bach-Dokumente, Band 2, Nr. 400
De heer [Bach] is — alles welbeschouwd — in [Leipzig] de voornaamste onder de muzikanten. Hij is een buitengewoon kunstenaar op het klavier (clavecimbel) en op het orgel. Tot op heden is hij nog maar één persoon tegengekomen met wie hij om de voorrang kan strijden. Ik heb deze grote man verscheidene malen horen spelen. Men verbaast zich over zijn vaardigheid en men kan nauwelijks begrijpen hoe het mogelijk is dat hij zijn vingers en zijn voeten zo wonderlijk en zo behendig in elkaar kan vlechten, en uitstrekken en daarmee de verste sprongen kan maken, zonder ook maar één valse toon aan te slaan of door zo’n heftige beweging zijn lichaam uit balans te brengen.

Deze grote man zou de bewondering van hele naties wegdragen, indien hij meer bekoorlijkheid (Annehmlichkeit = agrément, direct aansprekend) bezat en wanneer hij zijn stukken door een hoogdravend (schwülstig = gezwollen) en ingewikkeld (verworren = je raakt er door in verwarring) karakter niet van hun natuurlijkheid beroofde, en hun schoonheid niet door al te grote kunstmatigheid (Kunst = gekunsteldheid) verduisterde.
Omdat hij oordeelt naar wat zijn eigen vingers kunnen, zijn zijn stukken uitermate moeilijk te spelen; hij verlangt namelijk van de zangers en instrumentalisten dat zij met hun keel en instrumenten precies datgene doen wat hij op het klavier kan spelen. Dit is echter onmogelijk. Alle versieringen, alle kleine ornamenten en alles wat men onder de voordracht van de muziek (methode zu spielen = artistieke vrijheid) rangschikt, legt hij vast in opgeschreven noten;
Dat ontneemt zijn stukken niet alleen de schoonheid van de harmonie, maar maakt ook het gezang volstrekt onverstaanbaar (of: de zanglijn onwaarneembaar). Alle stemmen zijn even moeilijk, moeten met elkaar samenwerken, en men herkent in het geheel geen hoofdstem.
Kortom: hij is in de muziek wat vroeger de heer von Lohenstein* in de poëzie was. De hoogdravendheid heeft beiden van het natuurlijke naar het gekunstelde, en van het verhevene naar het duistere geleid; en men bewondert bij beiden de de moeizame arbeid en een buitengewone inspanning, die echter tevergeefs is aangewend, omdat ze tegen de natuur indruist.

Johann Adolf Scheibe (Vertaling Dick Wursten)

 

* Daniel Casper von Lohenstein (1635–1683) was een Duitse barokdichter, toneelschrijver en jurist (diplomaat) uit Silezië. In zijn eigen tijd werd hij bewonderd om zijn taalvermogen en poëtische stijl: retorisch virtuoo, zeer geleerd, erudiet, theatraal (veel pathos, grote gebaren, monumentale opzet). Zijn complex gecomponeerde treurspelen vol hoogdravende (gekunstelde) taal vond men indrukwekkend. In de 18e eeuw verschoof de norm richting classicisme (De Verlichting begint...): critici gingen helderheid, natuurlijkheid, maat en eenvoud eisen, en verwierpen barokke bombast als kunstmatig, pompeus en ‘slechte smaak’. In dat nieuwe esthetische kader werd Lohenstein vaak als afschrikwekkend voorbeeld genoemd, terwijl men tegelijk nog zijn grootse concept en taal virtuositeit erkende. Dus: aan het begin van de eeuw nog bejubeld, midden van de eeuw verguisd. Associatie: 'volkomen achterhaald','hopeloos ouderwets'.