Scheibe's kritiek op Bach (1737)
Op 14 mei 1737 verscheen in Hamburg de 6de
aflevering van de Der Critische Musicus, een muziektijschrift begin dat jaar
opgericht door J.A. Scheibe (1708–1776, zoon van de Leipziger orgelbouwer
met wie Bach veel heeft samengewerkt, had in Leipzig gestudeerd, maar wilde organist/componist worden
—lukte niet zo). Bij de oprichting werd hij gesteund door G.Ph. Telemann.
De
filosofie achter dit blad was eenvoudig: Hij wilde in de muziek doen wat
zijn leermeester en grote voorbeeld (idool), prof. Gottsched, voor de
Duitse literatuur had gedaan: komaf maken met de gezwollen barok: Net
als de taal in gedichten en toneelstukken, moest ook de muziek
natuurlijker worden.
Gottsched had einde jaren 1720 de aandacht getrokken (en succes geboekt) met zijn
prikkelende, satirische tijdschrift Die vernünftigen Tadlerinnen, dat
nadien werd opgevolgd door de serieuzere periodiek Beyträge zur Critischen
Historie der Deutschen Sprache, Poesie und Beredsamkeit. Dezelfde nuchtere, rationele
(critische) benadering kenmerkt ook Scheibe
als hij probeert Gottsched's visie naar de muziek van dit tijd te vertalen. Het tijdschrift
Der
Critische Musicus moest het equivalent worden van Gottscheds
Tadlerinnen | Beyträge. Hij richtte zijn pijlen vooral
op de cantate en de opera: genres waarin de (Italiaanse) barok, naar zijn
mening, op een onnatuurlijke en zelfs 'idiote' manier met taal omsprong.
Wie kan denn jetzt die Welt das tolle Volk
ertragen?
Jetzt, da man lieblicher die Seyten weis zu schlagen.
(Gottsched, Versuch einer
critischen Dichtkunst (Leipzig:
Breitkopf, 1730, p. 467).
Vervolgens drukt Scheibe een brief af van een door Duitsland trekkende muzikant (ein geschickter Musicant, der sich anjetzo auf Reisen befindet), die hij via-via heeft ontvangen en die hij de lezer niet wil onthouden. (In werkelijkheid is Scheibe de auteur, dat had u al begrepen). De brief (p. 41-48) bevat een geanonimiseerde beschrijving van wat deze verstandige man zoal had gehoord aan muziek in de (12) steden die hij heeft bezocht. De stijl is satirisch. Enkel de componisten Graun en Hasse worden met name genoemd, maar dat zijn dan ook de enige twee 'goede' musici. Op pagina 46 passeert een uitzonderlijk begaafde toetsenist (beide op het Clavier (alle snaarinstrumenten met toetsenbord) en op het Orgel ) de revue, die ook nog eens bijzonder vernuftige contrapuntische composities schrijft. In de lof is de kritiek al verpakt. In het tweede deel wordt die uitgepakt. Voor elke lezer is duidelijk dat het hier over J.S. Bach gaat. Overigens wordt Bach —vergeleken met sommige van z'n collega's die hem voorafgaan — behoorlijk respectvol behandeld.

Scheibe vond Bach’s muziek te gecompliceerd, overladen met te veel kunstmatige versieringen, wat een tekort aan natuurlijke schoonheid veroorzaakt. Ze spreekt niet aan (ze is unannehmlich), is verward of verwarrend (verworren, beetje vreemd woord in verband met Bachs buitengewoon 'ordelijke' muziek, maar Scheibe bedoelt dat de luisteraar er soms geen touw aan kan vastknopen omdat alle stemmen gelijkwaardig zijn) en hoogdravend, gezwollen (schwülstig, ook wat verrassend voor Bachs muziek; het standaardscheldwoord voor barok: das ist barocke Schwülst = typisch barokke gezwollenheid). Beide termen spelen een hoofdrol in Gottsched's de literatuurkritiek. Hierdoor krijgt Bach's muziek iets onnatuurlijks, wordt tegen-natuurlijk (wider die Natur). Dat kan tellen (komt binnen, zouden we vandaag zeggen).
Bach zelf reageert niet, maar Johann Abraham
Birnbaum (1702-1748), ook hoogleraar welsprekendheid in Leipzig,
vriend/bewonderaar van Bach, neemt de handschoen op. Men gaat ervan uit
dat hij met Bach heeft overlegd (spreekbuis). Hij schrijft een
uitgebreide repliek (Unpartheyische Meinung heet dit
partizanengeschrift, 28 bladzijden). Hij vindt het moeilijk om precies
te vatten wat Scheibe bedoelt (dat snap ik), maar redeneert zelf ook
niet echt handig. Veel naast de kwestie (en veel ad hominem, maar dat was
gebruikelijk). Bach verspreidt het werk onder vrienden en collega's.
In 1738 reageert Scheibe op zijn beurt. Hij verwijt Birnbaum onbegrip, misverstaan,
voortkomend uit "geen
verstand van zaken'. Hij licht toe, breidt uit (Beantwortung, 40
bladzijden). In 1739 antwoordt Birnbaum
met een maar liefst 96 pagina's tellende verdediging (van Bach's
èn zijn eigen eer). In deze verdediging blijft hij ook wel heel lang in
semantische kwesties steken, maar tegen het eind maakt hij wel
een aantal sterke (ook muzikale) punten. Dit
document bevat trouwens de beroemde passage over de
wedstrijd
Marchand-Bach ). De affaire sleept
nadien nog lang aan, maar bestaat voornamelijk uit 'herhaling' (ook
letterlijk: geannoteerde herdrukken). Veel
langs elkaar heen gepraat. Scheibe stelde wel degelijk een belangrijk
punt aan de orde (als je het wat rustiger bekijkt): hoe zit dat met de
behandeling van de taal in de muziek (aria's in cantates, opera's, of
teksten in fugatische koren.) Christoph Willibald von Glück laat in zijn
Duitse opera's horen wat Scheibe bedoelt. Daarop wordt niet ingegaan.
Tegelijk maakt Scheibe een domme uitschuiver (schiet zichzelf in de voet)
door in zijn reactie op Birnbaum
een nieuw punt van kritiek op Bach als componist
aan te voeren: Bach moet wel fouten maken in
zijn composities omdat hij nu eenmaal geen diploma heeft.
"Die Grundursache
dieser Fehler ist werth, dass ich etwas ausführlicher davon rede. Es
hat sich dieser grosse Mann nicht sonderlich in den Wissenschaften
umgesehen, die eigentlich von einem gelehrten Componisten erfo[r]dert
werden." (Scheibe,Beantwortung
der unpartheyischen Anmerkungen,
p. 22.)
Hij is zeker een
uitzonderlijk begaafd uitvoerend kunstenaar Künstler/Artist, een virtuoze muzikant,
maar schiet duidelijk tekort (macht Fehler) als componist,
omdat hij geen wetenschapper is. Een echte componist moet een
universitaire opleiding/titel hebben (minimaal 'magister' zijn). Bach had
die titel niet (juist). Mocht u dit interesseren:
Ik heb de weerlegging daarvan door Birnbaum (1739)
ook gepubliceerd met vertaling.
Hieronder het stuk waar het allemaal mee is begonnen.
| Duits origineel | Nederlandse vertaling |
|---|---|
| Der Herr ... ist endlich
in ... der Vornehmste unter den Musicanten. Er ist ein
ausserordentlicher Künstler auf dem Clavier und auf der Orgel, und
er hat zur Zeit nur einen angetroffen, mit welchem er um den
Vorzug streiten kan. Ich habe diesen grossen Mann unterschiedene
mahl spielen hören. Man erstaunet bey seiner Fertigkeit, und man
kan kaum begreifen, wie es möglich ist, daß er seine Finger und
seine Füsse so sonderbahr und so behend in einander schrencken,
ausdehnen, und damit die weitesten Sprünge machen kan, ohne einen
einzigen falschen Thon einzumischen oder durch eine so heftige
Bewegung den Körper zu verstellen. Dieser grosse Mann würde die Bewunderung gantzer Nationen seyn, wenn er mehr Annehmlichkeit hätte, und wenn er nicht seinen Stücken durch ein schwülstiges und verworrenes Wesen das Natürliche entzöge, und ihre Schönheit durch allzugrosse Kunst verdunkelte. Weil er nach seinen Fingern urtheilt, so sind seine Stücke überaus schwer zu spielen; denn er verlangt die Sänger und Instrumentalisten sollen durch ihre Kehle und Instrumente eben das machen, was er auf dem Claviere spielen kan. Dieses aber ist unmöglich. Alle Manieren, alle kleine Auszierungen, und alles, was man unter der Methode zu spielen verstehet, druckt er mit eigentlichen Noten aus; und das entziehet seinen Stücken nicht nur die Schönheit der Harmonie, sondern macht auch den Gesang durchaus unvernehmlich. Alle Stimmen sollen mit einander, und mit gleicher Schwierigkeit arbeiten, und man erkennet darunter keine Hauptstimme. Kurtz: Er ist in der Music dasjenige, was ehemahls der Herr von Lohenstein in der Poesie war. Die Schwülstigkeit hat beyde von dem natürlichen auf das künstliche, und von dem erhabenen auf das Dunkle geführet; und man bewundert an beyden die beschwerliche Arbeit und eine ausnehmende Mühe, die doch vergebens angewendet ist, weil sie wider die Natur streitet. Johann Adolf Scheibe Quelle: Bach-Dokumente, Band 2, Nr. 400 |
De heer [Bach] is — alles welbeschouwd — in
[Leipzig] de voornaamste onder de muzikanten. Hij is een
buitengewoon kunstenaar op het klavier (clavecimbel) en op het
orgel. Tot op heden is hij nog maar één persoon tegengekomen met
wie hij om de voorrang kan strijden. Ik heb deze grote man
verscheidene malen horen spelen. Men verbaast zich over zijn
vaardigheid en men kan nauwelijks begrijpen hoe het mogelijk is
dat hij zijn vingers en zijn voeten zo wonderlijk en zo behendig
in elkaar kan vlechten, en uitstrekken en daarmee de verste
sprongen kan maken, zonder ook maar één valse toon aan te slaan of
door een heftige beweging zijn lichaam uit balans te brengen. Deze grote man zou de bewondering van hele naties wegdragen, indien hij meer bekoorlijkheid (Annehmlichkeit = agrément, direct aansprekend) bezat en wanneer hij zijn stukken door een hoogdravend (schwülstig = gezwollen) en verward (verworren = je raakt er door in verwarring, de draad kwijt) karakter niet van hun natuurlijkheid beroofde, en hun schoonheid niet door al te grote kunstmatigheid (Kunst = gekunsteldheid) verduisterde. Omdat hij oordeelt naar wat zijn eigen vingers kunnen, zijn zijn stukken uitermate moeilijk te spelen; hij verlangt namelijk van de zangers en instrumentalisten dat zij met hun keel en instrumenten precies datgene doen wat hij op het klavier kan spelen. Dit is echter onmogelijk. Alle versieringen, alle kleine ornamenten en alles wat men onder de voordracht van de muziek (methode zu spielen = artistieke vrijheid) rangschikt, legt hij vast in opgeschreven noten; Dat ontneemt zijn stukken niet alleen de schoonheid van de harmonie, maar maakt ook het gezang volstrekt onverstaanbaar (of: de zanglijn, melodie onwaarneembaar). Alle stemmen zijn even moeilijk, moeten met elkaar samenwerken, en men herkent daarbinnen geen hoofdstem. Kortom: hij is in de muziek wat vroeger de heer von Lohenstein* in de poëzie was. De hoogdravendheid heeft beiden van het natuurlijke naar het gekunstelde, en van het verhevene naar het duistere geleid; en men bewondert bij beiden de de moeizame arbeid en een buitengewone inspanning, die echter tevergeefs is aangewend, omdat ze tegen de natuur indruist. Johann Adolf Scheibe (Vertaling Dick Wursten) |
* Daniel Casper von Lohenstein (1635–1683) was een Duitse barokdichter, toneelschrijver en jurist (diplomaat) uit Silezië. In zijn eigen tijd werd hij bewonderd om zijn taalvermogen en poëtische stijl: retorisch virtuoo, zeer geleerd, erudiet, theatraal (veel pathos, grote gebaren, monumentale opzet). Zijn complex gecomponeerde treurspelen vol hoogdravende (gekunstelde) taal vond men indrukwekkend. In de 18e eeuw verschoof de norm richting classicisme (De Verlichting begint...): critici gingen helderheid, natuurlijkheid, maat en eenvoud eisen, en verwierpen barokke bombast als kunstmatig, pompeus en ‘slechte smaak’. In dat nieuwe esthetische kader werd Lohenstein vaak als afschrikwekkend voorbeeld genoemd, terwijl men tegelijk nog zijn grootse concept en taal virtuositeit erkende. Dus: aan het begin van de eeuw nog bejubeld, midden van de eeuw verguisd. Associatie: 'volkomen achterhaald','hopeloos ouderwets'.
