Handtekening van Johann Sebastian Bach

Birnbaum's 2de verdediging van Bach (1739)

Maakt Bach compositorische fouten?

Als reactie op de kritiek op Bach in Der Critische Musicus (nr. 6) van J.A. Scheibe heeft prof. Birnbaum twee verdedigingsschriften geschreven. Hoewel de discussie ontspoord is — er wordt ad hominem geargumenteerd, er worden rekeningen vereffend, men schrijft langs elkaar heen omdat de kernbegrippen niet gedefinieerd zijn en vanuit eigen interpretatie worden behandeld, etc, veel pot verwijt de ketel.— zitten er toch zeer leerzame stukken in, als je wat afstand neemt. De discussie markeert en documenteert een veranderende muziek-gevoeligheid, die ook bij de protagonisten zelf nog niet uitgeklaard is. Een aspect uit de tweede ronde (Birnbaums'Vertheidigung uit 1739) wil ik hier naar voren halen. Dat gaat om de in onze ogen bijna onbegrijpelijke kritiek van Scheibe op Bach, dat Bach compositorische fouten (Fehler) maakt, en hij weet ook waardoor dat komt: "Die Grundursache dieser Fehler ist werth, dass ich etwas ausführlicher davon rede. Es hat sich dieser grosse Mann nicht sonderlich in den Wissenschaften umgesehen, die eigentlich von einem gelehrten Componisten erfo[r]dert werden." (Scheibe, Beantwortung der unpartheyischen Anmerkungen, p. 22). Dit kan Birnbaum niet onweersproken laten.

Samenvatting (Birnbaum, Vertheidigung (1739), p. 75-78) - volledige tekst zie onder

Mijn tegenstander zegt, dat zijn briefschrijver de heer Kapelmeester, als een grootmeester op het klavier en op het orgel, geen fouten verwijt, maar hem als componist daarentegen verscheidene onnatuurlijkheden aanwijst. Ja, hij beweert zelfs de grondoorzaak van Bachs "fouten" te kennen: deze grote man zou zich niet genoeg verdiept hebben in de wetenschappen, de welsprekendheid en de dichtkunst. Hij zou daarom noch natuurlijk, noch ordelijk denken.
Moet een componist een universele geleerde zijn?
Ik hoef niet uitvoerig in te gaan op de vraag of een componist alle wetenschappen fundamenteel moet begrijpen. Men drijft de zaak te ver wanneer men verlangt dat hij een in alle wetenschappen grondgeleerd man moet zijn. Het scheelt niet veel of men wil van hem net zo’n onmogelijk wezen maken als Cicero van zijn volmaakte redenaar: een belichaming van alle goddelijke en menselijke volmaaktheden. Het is voldoende wanneer een componist van die wetenschappen die in de nauwste verbinding staan met de compositieleer het noodzakelijkste weet en daarbij veel ervaring bezit. Zelfs de regels van de compositieleer bevatten al datgene wat uit dergelijke wetenschappen in de muziek bruikbaar is. Weet een componist deze met wijsheid toe te passen, dan is er niets meer dat men van hem kan verlangen. Daarentegen moet alles wel uitlopen op pedanterie en smakeloze gekunsteldheid wanneer hij al te geleerd te werk gaat en alle theorieën in de muziek wil invlechten. Waar een al te ver gezochte theorie overheerst, daar wordt het werk koud en droog in plaats van ontroerend.
De ware bron van muzikaal meesterschap
Het is dus geen noodzakelijke voorwaarde voor een groot componist om een universele geleerde te zijn. Hij zal, ook zonder diepgaande academische geleerdheid, bij alle muziekkenners groot blijven mits hij de regels van de compositie beheerst. Mijn tegenstander mag zaken als het oplossen van dissonanten, de vaardigheid van een fuga of dubbelfuga gerust beschouwen als zaken die nog geen groot componist maken; toch is het onder kenners bekend dat niemand voor groot wordt gehouden die in deze zaken geen bijzondere kracht toont. Mijn tegenstander kan dit zelf niet ontkennen, aangezien hij elders zelf eist dat een componist fuga's en contrapunt niet alleen moet begrijpen, maar ook volkomen moet kunnen uitvoeren.
Verdediging van Bachs brede kennis en vakmanschap
Mijn tegenstander is ook veel te onbeduidend om de heer Hofcomponist onbeschaamd te verwijten dat hij zich niet in de nodige wetenschappen heeft verdiept. Wie de heer Hofcomponist een beetje kent en zijn werk met onpartijdige ogen bestudeert, moet een veel billijker oordeel vellen. De principes die de muziek gemeen heeft met de redenaarskunst kent hij zo volkomen dat men hem met groot genoegen hoort spreken over de overeenkomst tussen beide; bovendien bewondert men de bekwame toepassing daarvan in zijn werken. Ook zijn inzicht in de dichtkunst is uitstekend. Hij weet precies welk werk van een dichter geschikt is voor muziek en kan de redenen daarvoor grondig aangeven. Dat de heer Hofcomponist bovendien ontroerend en volgens de beste smaak componeert, bewijst onweerlegbaar de afgelopen Pasen publiekelijk uitgevoerde avondmuziek in Leipzig, die met algemene bijval is ontvangen.
Kortom: Zolang de "kritische muzikant" met al zijn vermeende kennis van de wereldwijsheid het de heer Hofcomponist niet kan nadoen,past het hem niet om een meester die groter en ervarener is dan hij, op zo’n onbescheiden wijze onbekwaamheid te verwijten.

De hele tekst J.A. Birnbaum, Vertheidigung seiner Unpartheyische Anmerckungen...(Leipzig 1739, p. 73-78)

Birnbaum vertheidung 1739 - title

Duits (Origineel)> Nederlands (Vertaling)
[73]
[...]
Ehe noch mein gegner zur würcklichen beantwortung, des andern theils meiner unpartheyischen anmerckungen, schreitet, macht er, seiner gewohnheit nach, wiederum eine vergebene vorerinnerung. Er sagt: daß sein briefsteller dem Hrn. Capellmeister, als einem groffen meister auf dem clavier und auf der orgel, keineswegs gewisse fehler vorrücke, wohl aber demselben, als einem componisten verschiedenes unnatürliches zeige. Ich hätte also diesen unterschied anmercken sollen, wenn ich aufrichtig und ordentlich verfahren wollen. Ich weiß nicht, wo mein gegner beydes augen und gedancken muß gehabt haben, daß er nicht gesehen, daß ich den verlangten unterschied allerdings beobachtet habe. Ich sage ja ausdrücklich zu ende der funfzehenden seite meiner anmerckungen: Er setzet anfänglich an den Bachischen stücken etc. Ich habe mich zum wenigsten eben fo deutlich darüber erklärt, als der kluge briefsteller. Dieser, da er durch die eine helffte der bedencklichen stelle, von nichts, als von der geschicklichkeit des Hrn. Hof-Compositeurs auf der orgel und dem clavier, geredet hatte, verbindet die betrachtungen, so er über die fehler seiner composition anstellen will, mit dem vorhergehenden, durch keinen andern, als mit diesen worten: dieser große mann

[...]
Nog voordat mijn tegenstander overgaat tot de werkelijke beantwoording van het tweede deel van mijn onpartijdige opmerkingen, maakt hij, naar zijn gewoonte, zich weer schuldig aan een overbodige herhaling. Hij zegt: dat zijn briefschrijver de heer Kapelmeester (Bach) als een groot meester op het klavier en op het orgel, geenszins bepaalde fouten verwijt, maar hem als componist daarentegen verscheidene onnatuurlijkheden aanwijst. Ik had dit onderscheid moeten opmerken, indien ik oprecht en ordelijk te werk had willen gaan. Ik weet niet waar mijn tegenstander zowel zijn ogen als zijn gedachten moet hebben gehad, dat hij niet heeft gezien dat ik het verlangde onderscheid wel degelijk in acht heb genomen. Ik zeg immers uitdrukkelijk aan het slot van de vijftiende pagina van mijn opmerkingen: Hij plaatst aanvankelijk bij de Bachiaanse stukken etc. Ik heb mij daarover ten minste even duidelijk uitgesrpoken als de kloeke briefschrijver. Deze laatste, nadat hij in de ene helft van de bedenkelijke passage over niets anders had gesproken dan over de bekwaamheid van de heer Hofcomponist op het orgel en het klavier, verbindt de beschouwingen die hij over de fouten in diens compositie wil maken met het voorafgaande door geen andere woorden dan deze: deze grote man
|74| würde die bewunderung ganger nationen seyn, wenn er mehr annehmlichkeit hatte, und wenn er nicht seinen stücken etc. Solte man wohl glauben, daß es möglich sey, daß ein vernünfftiger mensch seinen lesern so handgreifliche unwahrheiten aufdringen könne?Eben eine dergleichen offenbare unwahrheit ist es auch, wenn mein gegner, aus denen nur angeführten worten der bedencklichen stelle, das stärckste lob erzwingen will. Der darinnen jederman vor augen liegende stärckste widerspruch überhebt mich der mühe, solches weitläufftiger darzuthun. Zum wenigsten zweifle ich, ob selbst mein gegner glauben würde, daß er aufs stärckste gelobt sey, wenn iemand also von ihm urtheilen wolte: Der critische musicus würde bey jederman beyfall finden, wenn er die regeln der vernünfftigen critic besser beobachtete, und seinen gedancken, durch ein allzu spitziges urtheil, nicht die wahre annehmlichkeit entzöge. Mit einem wort, der Hr. Hof-Compositeur hat in der angezogenen stelle des bedencklichen briefs, vielmehr auf das stärckste getadelt werden sollen. Mein gegner bekräftiget das, was daselbst angeführt worden, in der beantwortung mit mehrern. Er saget ausdrücklich: daß der Herr Hof-Compositeur in der composition musicalischer stücke gewisse und nicht geringe fehler begehe. Er will so gar die grundursachen derselben auf das genaueste eingesehen haben. Diese aber sollen darinnen bestehen: Es habe sich dieser große mann nicht sonderlich in denen wissensschafften umgesehen, die eigentlich von einem großen componisten erfordert werden. Er habe sich um critische anmerckungen untersuchungen, und um die regeln der redekunst und dichtkunst, welche doch in der music so nothwendig wären, daß man ohne dieselben unmöglich rührend und ausdrückend setzten könne, nicht sonderlich bekümmert. Er dencke daher weder natürlich noch ordentlich. Ich habe zou de bewundering van hele naties zijn, indien hij meer bevalligheid had, en indien hij niet aan zijn stukken etc. Zou men werkelijk geloven dat het mogelijk is dat een verstandig mens zijn lezers zulke tastbare onwaarheden kan opdringen?Precies zo’n zelfde openlijke onwaarheid is het ook wanneer mijn tegenstander uit de zojuist aangehaalde woorden van de bedenkelijke passage de grootste lof wil afdwingen. De voor iedereen in het oog springende, sterke tegenstrijdigheid daarin ontslaat mij van de moeite om dit uitvoeriger aan te tonen. Ik twijfel er ten minste aan of mijn tegenstander zelf zou geloven dat hij het meest geprezen wordt wanneer iemand aldus over hem zou oordelen: De kritische musicus zou bij iedereen bijval vinden, indien hij de regels van de verstandige kritiek beter in acht nam en aan zijn gedachten, door een al te spitsvondig oordeel, de ware bevalligheid niet onttrok. Met één woord: de heer Hofcomponist heeft in de aangehaalde passage van de bedenkelijke brief veeleer op de scherpste wijze bekritiseerd moeten worden. Mijn tegenstander bekrachtigt datgene wat aldaar aangevoerd is in zijn antwoord met nog meer argumenten. Hij zegt uitdrukkelijk: dat de heer Hofcomponist in de compositie van muzikale stukken bepaalde en niet geringe fouten begaat. Hij beweert zelfs de grondoorzaken daarvan uiterst nauwkeurig te hebben ingezien. Deze zouden hierin bestaan: deze grote man zou zich niet bijzonder hebben verdiept in de wetenschappen die eigenlijk van een groot componist vereist worden. Hij zou zich niet bijzonder hebben bekommerd om kritische beschouwingen, onderzoeken, noch om de regels van de welsprekendheid en de dichtkunst, die in de muziek toch zo noodzakelijk zijn dat men zonder deze onmogelijk ontroerend en beeldend kan componeren. Hij zou daarom noch natuurlijk, noch ordelijk denken. Ik heb
|75] nicht nöthig, mich weitläufftig auf die untersuchung der frage einzulassen; ob ein componist, die, nicht allein allhier, sondern auch in dem dritten stück des critischen musicus angeführten wissenschafften aus dem grunde verstehen müsse. Man treibt die sache zu hoch, wenn man von einem componisten schlechterdings verlanget, daß er ein, fast in allen wissenschafften, grundgelehrter mann seyn müsse. [note: Wie Robert Fludd gethan, in historia utriusque cosmi, Tom 1. Tr. II, P. II. L. I. C.IIII. p. m. 167. da er von einem theoretischen musicverständigen, ausser den übrigen philosophischen wissenschafften, auch die kenntniß der astronomie und metaphysic erfordert. Jener, ut musicam mundanam non ignoret, diefer, ut de musica humana iudicare possit. Treffliche gedancken!] Es fehlet nicht viel, daß man nicht aus demselben ein eben dergleichen unding machen will, als Cicero, aus sei nem vollkommenen redner... Es ist genug, wenn ein componist von denen wissenschafften, welche mit der setzkunst in der nächsten verbindung stehen, das nothwendigste weiß... Selbst die regeln der setzkunst halten schon dasjenige in sich, was aus dergleichen wissenschafften in der music brauchbar ist. Weiß ein componist dieselben mit gehöriger klugheit anzuwenden; nimmt er die erfahrung zu hülffe, so ist nichts übrig, das man weiter von ihm verlangen könte. So kan auch an seiner seite, in ansehung der natürlichkeit und ord nung, mit recht nichts ausgesetzet werden. Hingegen muß alles auf pedanterey und abgeschmackte künsteley hinaus lauffen, wenn er allzugelehrt verfahren, und fast alle grundwahrheiten und regeln gedachter wissenschafften in die music einflechten will. Wo allzuweit hergeholte theorie in practischen arbeiten herrschet, da fallen dieselben, statt, daß sie rührend und ausdrückend werden solten, meist kalt und niet de behoefte om mij uitvoerig in te laten met het onderzoek naar de vraag of een componist de wetenschappen fundamenteel moet begrijpen. Men drijft de zaak te ver wanneer men van een componist onvoorwaardelijk verlangt dat hij in bijna alle wetenschappen een fundamenteel geleerd man moet zijn. [Noot: Zoals Robert Fludd gedaan heeft zijn Historia Utriusque Cosmi (Geschiedenis van beide werelden), Deel 1, Traktaat II, Gedeelte II, Boek I, Hoofdstuk IIII, bladzijde 167, waar hij van een theoretisch muziekkenner — naast de overige filosofische wetenschappen — ook de kennis van de astronomie en de metafysica eist. De eerste [astronomie], opdat hij niet onwetend is de kosmische muziek (musica mundana); de tweede [metafysica], opdat hij over de reeël gemaakte muziek (musica humana) kan oordelen.]. Het scheelt niet veel of men wil van hem net zo’n onmogelijk wezen maken als Cicero van zijn volmaakte redenaar... Het is voldoende wanneer een componist van die wetenschappen die in de nauwste verbinding staan met de compositieleer het noodzakelijkste weet... Zelfs de regels van de compositieleer bevatten al datgene wat uit dergelijke wetenschappen in de muziek bruikbaar is. Weet een componist deze met de nodige wijsheid toe te passen en roept hij de ervaring te hulp, dan blijft er niets over wat men verder van hem zou kunnen verlangen. Zo kan er ook aan zijn zijde, wat betreft natuurlijkheid en orde, met recht niets worden aangemerkt. Daarentegen moet alles wel uitlopen op pedanterie en smakeloze gekunsteldheid wanneer hij al te geleerd te werk gaat en bijna alle grondwaarheden en regels van de genoemde wetenschappen in de muziek wil invlechten. Waar een al te ver gezochte theorie in praktisch werk overheerst, daar valt dit werk meestal koud en
|76| trocken aus. Und über dieses, wie viel exempel der grösten componisten haben wir nicht, in denen stücken man alles findet, was so wohl dem gehöre, als auch dem verstande gefällt, das ist: was rührend, ausdrückend, natürlich und ordentlich heißt; welcher doch bloß aus denen richtig angewendeten regeln der setzkunst, mit zuziehung einer vernünfftigen erfahrung, geflossen sind? Es ist also keine nothwendige eigenschafft eines grossen componisten ein grundgelehrter man zu seyn. Er wird auch, ohne sonderliche gelehrsamkeit zu besitzen, dennoch bey allen gründlichen musicverständigen groß seyn und bleiben; wenn er nur die regeln der musicalischen setzkunst richtig auszuüben weiß. Und da diese regeln, insoferne sie wahre allgemeine regeln sind, in der natur der music, und aller dazu gehörigen dinge, ihren grund haben müssen, so können sie, bey einer klugen anwendung, niemalen sö künstlich werden, daß die auch damit sich verbindende kunst, das schöne und natürliche verdunckeln solte. Mein gegner mag also immerhin das zusammensetzen, übereinandersetzen, verbinden und auflösen der dissonanzen und consonanzen, die fertigkeit einer fuge, doppelfuge, und alle andere künstliche und schwere gattungen musicalischer stücke zu verfertigen, vor dinge halten wollen, welche noch lange nicht einen grossen componisten ausmachen; so ist es doch eine, unter den musicverständigen vor bekandt angenommene sache; daß keiner vor einen grossen componisten gehalten wird, der nicht in diesen allen eine besondere stärcke zeiget. Ja, mein gegner kan solches selbst nicht in abrede seyn, wenn er an einem andern orte, [*note: *In dem critischen musicus im VIIIIten St. pag. 71.] wo er von fugen und contrapunct redet, von einm componisten fordert: daß er sie nicht nur verstehen müsse, sondern auch vollkommen an wenden und ausüben können. Soll man den componisten nicht groß nennen, der das verstehet, und ausüben droog uit. En bovendien, hoeveel voorbeelden hebben we niet van de grootste componisten, in wiens stukken men alles vindt wat zowel het gehoor als het verstand behaagt — dat wil zeggen: wat ontroerend, beeldend, natuurlijk en ordelijk heet — en die toch louter zijn voortgevloeid uit de juist toegepaste regels van de compositieleer, met de hulp van een verstandige ervaring? Het is dus geen noodzakelijke eigenschap van een groot componist om een fundamenteel geleerd man te zijn. Hij zal ook zonder bijzondere geleerdheid te bezitten toch bij alle grondige muziekkenners groot zijn en blijven, mits hij de regels van de muzikale compositieleer juist weet uit te voeren. En aangezien deze regels, voor zover het ware algemene regels zijn, hun grondslag moeten hebben in de natuur van de muziek en alle bijbehorende zaken, kunnen zij bij een verstandige toepassing nooit zo kunstmatig worden dat de daarmee verbonden kunst het schone en natuurlijke zou verduisteren. Mijn tegenstander mag dan ook het samenstellen, over elkaar heen plaatsen, verbinden en oplossen van dissonanten en consonanten, de vaardigheid om een fuga, dubbelfuga en alle andere kunstige en moeilijke genres van muziekstukken te vervaardigen, gerust beschouwen als zaken die nog lang geen groot componist maken; toch is het onder muziekkenners een algemeen aanvaarde zaak dat niemand voor een groot componist wordt gehouden die niet in dit alles een bijzondere kracht toont. Ja, mijn tegenstander kan dit zelf niet ontkennen wanneer hij op een andere plaats [*Noot: In de Critischer Musicus afl. IX pag. 71.], waar hij over fuga’s en contrapunt spreekt, van een componist eist: dat hij ze niet alleen moet begrijpen, maar ook volkomen moet kunnen toepassen en uitvoeren. Moet men de componist dan niet groot noemen die dat begrijpt en uitvoeren
|77| kan, wozu eine ganz besondere stärcke erfordert wird? Derjenige componist wird vielmehr noch lange nicht groß seyn, der in diesen allen nicht gnugsame geschicklichkeit besitzt. Mein gegner ist im übrigen viel zu wenig, als daß er sich unterstehen darf, dem Herrn Hof-Compositeur auf das unverschämteste vorzurücken, daß er sich, in denen zur composition nöthigen wissenschafften, nicht sonderlich umgesehen hatte. Wer die ehre hat, den Herrn Hof-Compositeur genauer zu kennen; wer sich das vergnügen macht, mit unpartheyischen augen und öhren, als der critische musicus, seine practischen arbeiten durchzusehen, und anzuhören; der muß von seiner einsicht ein weit billigeres urtheil fällen. Die theile und vortheile, welche die ausarbeitung eines musicalischen stücks mit der rednerkunst gemein hat, kennet er so vollkommen, daß man ihn nicht nur mit einem ersättigenden vergnügen höret, wenn er seine gründlichen unterredungen auf die ähnlichkeit und übereinstimmung beyder lencket; sondern, man bewundert auch die geschickte anwendung derselben, in seinen arbeiten. Seine einsicht in die dichtkunst ist so gut, als man sie nur von einem grossen componisten verlangen kan. Denn zu geschweigen, daß mein gegner viel zu unvermögend ist, ihn eines fehlers zu überführen, den er wider die regeln derselben in setzung seiner singstücken jemals begangen hat; so weiß er über dieses ganz genau, welches dichters arbeit zur composition geschickt sey, oder nicht. Es ist ihm was leichtes, die ursachen dieses unterschieds auf das gründlichste anzugeben. Daß endlich der Hr. Hof-Compositeur rührend, ausdrückend, natürlich, ordentlich, und nicht nach dem verderbten, sondern besten geschmack setze, beweiset ins besondere unwidersprechlich, die von ihm verwichene Ostermesse, vor unserer allers durchlauchtigsten hohen Landes-Herrschafft, bey Dero höchsten anwesenheit in Leipzig, öffentlich aufgeführte - abendmusic, welche mit durchgängigem beyfall angenommen worden. Wer weiß, ob der critische musicant, mit kan waarvoor een heel bijzondere kracht vereist is? Die componist zal veeleer nog lang niet groot zijn die in dit alles niet over voldoende vaardigheid beschikt. Mijn tegenstander is overigens veel te onbeduidend om het te mogen wagen de heer Hofcomponist op de meest onbeschaamde wijze te verwijten dat hij zich niet bijzonder verdiept heeft in de wetenschappen die nodig zijn voor de compositie. Wie de eer heeft de heer Hofcomponist nader te kennen; wie zichzelf het genoegen gunt om met onpartijdige ogen en oren — in tegenstelling tot de kritische musicus — zijn praktische werken te bestuderen en aan te horen, die moet over zijn inzicht een veel billijker oordeel vellen. De onderdelen en voordelen die de uitwerking van een muziekstuk gemeen heeft met de redenaarskunst, kent hij zo volkomen dat men hem niet alleen met een verzadigend genoegen aanhoort wanneer hij zijn grondige gesprekken richt op de gelijkenis en overeenstemming tussen beide; maar men bewondert ook de bekwame toepassing daarvan in zijn werken. Zijn inzicht in de dichtkunst is zo goed als men maar van een groot componist kan verlangen. Want nog afgezien van het feit dat mijn tegenstander veel te onmachtig is om hem te overtuigen van een fout die hij tegen de regels daarvan in de zetting van zijn zangstukken ooit begaan zou hebben, weet hij bovendien heel precies welk werk van een dichter geschikt is voor compositie of niet. Het is voor hem een koud kunstje om de redenen voor dit onderscheid op de meest grondige wijze aan te geven. Dat de heer Hofcomponist ten slotte ontroerend, beeldend, natuurlijk, ordelijk en niet naar de verdorven, maar naar de beste smaak componeert, bewijst in het bijzonder en onweerlegbaar de door hem afgelopen Pasen voor onze allerdoorluchtigste hooggeplaatste landsheer, bij diens hooggeëerde aanwezigheid in Leipzig, publiekelijk uitgevoerde avondmuziek, die met algemene bijval is ontvangen. Wie weet of de kritische muzikant, met
|78| allen seinen critischen anmerckungen und untersuchungen, wie auch aller seiner eingebildeten einsicht in die tiefen der weltweißheit, es hierinne dem Herrn of Compositeur gleich thun kan. Gewiß, so lange der erstere es dem letzteren nicht gleich, geschweige denn gar zuvor thun kan, geziemet ihm keinesweges, einen meister der music, der grösser und erfahrner ist als er, auf eine so unbescheidene art, eine noch nicht erwiesene, auch nimmermehr zu erweisende ungeschicklichkeit vorzurücken. So find denn die grundursachen derer dem Hrn. Hof-Compositeur schuld gegebenen fehler, eine nichtige erfindung unartigen gemüths, dessen vornehmste beschäfftigung ist, lästerungen mit lästerungen zu hauffen.
[...]
al zijn kritische opmerkingen en onderzoeken, evenals al zijn ingebeelde inzicht in de diepten van de wijsbegeerte, het hierin de heer Hofcomponist kan nadoen. Zeker, zolang de eerstgenoemde het de laatstgenoemde niet kan nadoen, laat staan hem voorbijstreeft, past het hem geenszins om een meester in de muziek, die groter en ervarener is dan hij, op zo’n onbescheiden wijze een nog niet bewezen, en ook nimmermeer te bewijzen onbekwaamheid te verwijten. Zo zijn dan de grondoorzaken van de aan de heer Hofcomponist toegeschreven fouten een nietige verzinsel van een onhebbelijk gemoed, wiens voornaamste bezigheid het is om laster op laster te stapelen.
[...]