Handtekening van Johann Sebastian Bach

BWV 191 – Gloria in excelsis Deo

Deze cantate is een beetje een buitenbeentje in Bachs oeuvre: met z’n drie delen kun je het zelfs nauwelijks een cantate noemen, en daarbij is de tekst ook nog volledig in het Latijn. De muziek heeft hoogstwaarschijnlijk ook geen liturgische functie gehad (in een kerkdienst), maar gediend als omlijsting van een 'oratio', een academische redevoering (ook in het Latijn) tijdens een kerstviering van de universiteit van Leipzig in 'haar' Paulinerkirche. Hoogstwaarschijnlijk betreft het de viering A.D. 1742, waar een oratio over precies deze tekst is voorzien.

Klik hier voor de homilie/toespraak bij de uitvoering in een cantatedienst (september 2026)

 

 Autograaf van J.S. Bach. Op grond van handschrift en papier (watermerk) te dateren tussen 1742-1746 (zie : Y. Kobayashi, Chronologie p. 52 (Bach Jahrbuch, 1988), met correctie van 1743 in 1742 op grond van de 'Boerencantate' (augustus 1742) die dezelfde handschriftelijke eigenaardigheid vertoont die bij Kobayashi de ondergrens bepaalt.

De muziek van de drie delen ontleende Bach aan het Gloria uit de Missa van 1733 (de Kyrie-Gloria-mis) die hij aan het Dresdense hof opdroeg, en die later ook het Gloria zou vormen van de grote Mis (de mis in b-klein, beter bekend als de Hohe Messe). De combinatie van teksten is erg ongewoon: de lofzang van de engelen uit Lucas 2:14 (in de klassieke liturgische vertaling) en de kleine doxologie. Voelt dubbelop, maar wordt verklaard door de setting, de academische kerstviering met een oratio precies over de tekst die Bach heeft getoonzet.

De drie delen

1. Coro – vijfstemmig SSATB (tutti)

Latijn

Gloria in excelsis Deo,

et in terra pax

hominibus bonae voluntatis.

Nederlands

Ere zij God in den hoge,

en vrede op aarde

bij mensen van goede wil*

Het openingskoor van het Gloria nam Bach vrijwel ongewijzigd over. Niet zo vreemd, want het is gewoon dezelfde tekst. Bach behandelt de tekst hier als een tweeledige uitspraak: een hemels begin (gloria uitbundig) en een aards vervolg (et in terra pax ingetogen) dat echter al snel fugatisch wordt en ook weer in de hemel eindigt – de trompetten keren terug.

Aan het einde van dit deel staat in de partituur: Post Orationem, vide infra – ‘voor de muziek na de redevoering, zie hieronder’ (zie afbeelding hierboven). Hier werd dus de Latijnse oratie uitgesproken.

* noot: dit is een vertaling van de liturgische tekst, niet van Lukas 2:14. Lees hier meer over de Engelenzang en de verschillende tekstoverleveringen en vertalingen.

2. Duetto – sopraan en tenor (met 2 dwarsfluiten, twee violen, Cello, Bc)

Latijn

Gloria Patri et Filio

et Spiritui Sancto.

Nederlands

Ere zij de Vader en de Zoon

en de Heilige Geest.

Het duet is een bewerking van het Domine Deus (volledig: Dominus Deus, Rex coelestis, Deus Pater omnipotens, Domine Fili unigenite, Jesu Christe altissime, Domine Deus, Agnus Dei, Filius Patris), dat wil zeggen: de korte tekst Gloria Patri et Filio et Spiritui Sancto wordt in allerlei combinaties herhaald, of oneerbiedig gezegd: uitgesmeerd over de muziek die oorspronkelijk zes verschillende zinnen bevatte.

3. Coro –SSATB twee grootsopgezette vijfstemmige fuga's (tutti)

Latijn

Sicut erat in principio,

et nunc, et semper,

et in saecula saeculorum. Amen.

Nederlands

Zoals het was in het begin,

en nu en altijd,

en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

Het Sicut erat in principio etc... wordt gezongen op de muziek van het slot van het Gloria uit de Dresdner Messe: ‘Cum Sancto Spiritu, in gloria Dei Patris. Amen’. Hier heeft Bach dus teveel woorden (lettergrepen) om te passen. Dat lost hij op door in de aanloop enkele maten in te lassen, waarin hij m.n. het begin kwijt kan, zodat hij daarna vrij kan spelen met m.n. nunc et semper, en in saecula saeculorum. Wat een fuga's !

Voor welke gelegenheid is deze muziek geschreven?

Bach schreef er zelf boven: Festo Nativit: Xsti, ‘op het feest van Christus’ geboorte’. Opvallend: er staat niet bij welke van de drie kerstdagen, zoals Bach in al zijn andere kerstmuziek wel noteert (Feria 1, 2, 3). Verder werd het in twee delen uitgevoerd, met de aanwijzing Post Orationem aan het slot van deel 1. Die korte opmerking onthult iets. Er staat niet ‘na de preek’ (post concionem), zoals bij zijn tweedelige kerkcantates, maar na de oratio – wat in de achttiende eeuw vooral gebruikt werd om een academische redevoering aan te duiden. Het gaat hier dus hoogstwaarschijnlijk om muziek voor een plechtige academische zitting op de eerste kerstdag in 1742. Zij diende daarbij dan tot muzikale omlijsting van de redevoering (Oratio)

Verder lezen:  homilie/toespraak bij de uitvoering in de cantatedienst (2026)