Gloria in excelsis Deo (BWV191)
De academische kerstzitting van 1742 als waarschijnlijke setting van BWV 191.
Een academische zitting, geen kerkdienst
Lange tijd gold de suggestie van Gregory Butler (1992): BWV
191 zou op Kerstdag 1745 hebben geklonken in de Leipzigse Paulinerkirche
(= universiteitskerk), bij een academische dankviering voor de vrede die
de Tweede Silezische Oorlog beëindigde. Die opvatting haalde
vrijwel alle programmaboekjes en cd-teksten. Ze is inmiddels
achterhaald.
Markus Rathey toonde in 2013 (Bach Jahrbuch) namelijk
aan dat de universiteit elk jaar op Kerstdag om twaalf uur een
academische zitting hield, met een Latijnse redevoering in de
Paulinerkirche. De analyse van gebruikte muziekpapier (watermerk,
papierfabriek) geeft als tijdsframe: 1743-1746 (waar Kerstmis 1742 nog
net in past, dunkt me). Wat overeind blijft van
Butler's hypothese, is dus de setting: dit is geen 'cantate' voor een
kerkdienst, maar de omlijstende muziek bij de jaarlijkse
academische kerstviering, d.w.z de muziek vóór en na de 'plechtige
redevoering' (Latijn), de Oratio.
De gedrukte uitnodiging
Rathey’s belangrijkste vondst was echter de gedrukte uitnodiging voor die Kerstviering van 1742, met een gedetailleerde uitleg van Lucas 2:14, ‘Ere zij God in den hoge, en vrede op aarde…’. De tekst gaat in op de verhouding tussen geestelijke (hemelse) en aardse (uiterlijke) vrede en verwijst naar de oorlogsellende van dat jaar, naar de ‘gedeeltelijke politieke vrede’ die bereikt is, maar gaat vooral in op het feit dat de ‘vrede op aarde’ die in Luc. 2:14 wordt geproclameerd van een heel andere categorie is.
De uitnodiging ging uit onder de naam van de rector (Johann Christoph Gottsched, die we kennen van de Trauerode), maar de verhandeling zelf is, zoals Robin Leaver in zijn bijdrage aan hetzelfde Bach Jahrbuch (2013) aantoonde, van de hand van Salomon Deyling: superintendent, hoogleraar theologie, hoofdpredikant van de Nikolaikerk en voorzitter van het consistorie – Bachs kerkelijke superieur. Dat Bachs muziek en Deylings tekst van hetzelfde vers uitgaan, maakt het waarschijnlijk dat ze voor dezelfde gelegenheid bestemd waren. Zeker is het niet, maar het is de best gedocumenteerde hypothese die we op dit ogenblik hebben.
De uitnodiging is op de dag voor Kerst gedateerd en verspreid door de stad (ik neem aan: door de pedel), d.w.z bezorgd bij de academici, adellijke studenten, raadsheren en de hogere burgerij. Ze beslaat zestien pagina’s geleerde uitleg in het Latijn, en loopt dan in de laatste alinea uit op een uitnodiging en aansporing om op het grote Feest naar de kerken te komen, om te leren wat de ‘waarachtige’ vrede is die op aarde is gekomen met Christus’ geboorte. Magister Leich zal de redevoering houden, waarin hij de verkeerde opvattingen (errores) omtrent Christus’ geboorte bij de ouden zal uiteenzetten. Deze tekst heeft dus geklonken tussen deel 1 en deel 2 van de cantate.
De uitnodiging
De invitatio is gescanned en beschikbaar als PDF

Bayerische Staatsbibliothek München, 4 Diss. 2315#Beibd.10. Download de PDF.
RECTOR VNIVERSITATIS LIPSIENSIS
AD FESTVM NATIVITATIS CHRISTI
IN TEMPLO ACADEMICO
CRAS DEO VOLENTE HORA XII.
ANNO AB ILLA cIɔIɔccXLII.
SOLEMNI ORATIONE
CONCELEBRANDVM
OFFICIOSE AC PERAMANTER
INVITAT.
De rector van de universiteit van Leipzig
nodigt ambtshalve en van ganser
harte uit
het feest van Christus' geboorte
morgen – zo God wil – om twaalf uur,
in het jaar 1742 na diezelfde geboorte,
in de academiekerk
met een plechtige redevoering
mede te vieren.
De rector van dat jaar, in wiens naam deze uitnodiging is verstuurd, is Johann Christoph Gottsched. Hij nodigt de cives (burgers, hogere rangen) uit om de academische kerstrede bij te wonen, die de volgende dag om twaalf uur in de Paulinerkerk zal plaatsvinden. Spreker is een jonge magister, Johann Heinrich Leich; zijn onderwerp de erroribus veterum circa Natalem Christi: over de dwalingen van de ouden aangaande Christus’ geboortedag (dies natalis). Zulke gedrukte uitnodigingen heetten programmata, en dat was aan Duitse universiteiten een genre op zichzelf: oorspronkelijk was het een aanplakbiljet, maar in de achttiende eeuw was dit uitgegroeid tot een verhandeling met de eigenlijke aankondiging (en uitnodiging) in de laatste alinea. In dit geval zijn van de 16 pagina's er vijftien gewijd aan een geleerde verhandeling. Wie het drukwerk dus in handen kreeg, kregen dus eerst wat leesvoer, een theologisch essay, handelend over Luc. 2,14, de engelenzang (zoals in een contemporain handschrift trouwens op de titelpagina is toegevoegd).
Samenvattende parafrase
Oorlogsdreiging
Het stuk begint niet vroom maar politiek. Quatitur dissensionibus Germania – Duitsland beeft door tweedracht. Vruchtbare provincies staan in brand, steden en akkers worden verwoest, en de rampen dringen ook langzaam onze grenzen binnen. De schrijver noemt Praag bij name: de stad die in de vorige eeuw het begin én het einde van de Dertigjarige Oorlog gaf, en die ook nu weer sombere voortekenen vertoont. Dat was geen retoriek. Terwijl dit blaadje gedrukt werd, brak het Franse garnizoen uit het belegerde Praag.
Saksen was in juli 1742 uit de Oostenrijkse Successieoorlog gestapt. Vandaar de lof op onze allerdoorluchtigste koning August die de vrede bezorgde. Maar de toon blijft gespannen: wij genieten deze rust met vrees en beven, schrijft hij – de Griekse woorden van Paulus staan er middenin de Latijnse zin. Eén vreemd leger volstaat om alles opnieuw in brand te zetten.
Maar wat onze angst pas echt voedt, zijn onze overtredingen. Een duurzame externe vrede bereiken we hier nooit, tenzij wij ons werkelijk bekeren.
Pax Augusta, over munten, keizers en holle woorden
Vervolgens pakt hij – typisch voor een achttiende-eeuwse geleerde – de muntencatalogi erbij. Romeinse keizers lieten zich PAX AVGVSTA en PACATOR ORBIS noemen, FVNDATOR PACIS, ja zelfs PAX AETERNA en PERPETVA. Onder Gallienus stond er VBIQVE PAX op het goud terwijl het rijk aan alle kanten uiteenviel. Vespasianus bouwde een Vredestempel, het mooiste gebouw van Rome – afgebrand onder Commodus, en met dat gebouw verdween ook de eeuwigheid van die vrede. De keizerlijke vredespropaganda wordt breed uitgestald, en dan doorgeprikt. De lezer die zojuist over koning August heeft gelezen, voelt de bodem onder zijn voeten wegzakken.
Een mythe doorprikt: geen vrede op de First Noel
Een geliefde traditie wil dat er bij Christus’ geboorte wereldvrede heerste, en dat keizer Augustus de poorten van de Janustempel sloot. Grote namen stonden achter deze legende: Orosius in de vijfde eeuw, en in de nieuwe tijd Huet, Pagi, Casaubon, kardinaal Noris, Tillemont… ze worden geciteerd, ook in het Frans. Fijntjes wijst de auteur erop dat Kepler het al had betwijfeld en daarom door Noris werd terechtgewezen. De auteur gaat alle bronnen na, citeert ze, en zijn conclusie is onverbiddelijk. Geen enkele kerkvader behalve Orosius vermeldt die tempelsluiting. Suetonius kent precies drie sluitingen onder Augustus; de derde valt tien jaar vóór Christus’ geboorte. Een vierde wordt nergens gemeld. En in het jaar zelf van Christus’ geboorte werd er oorlog gevoerd in Arabië, aan de Donau, in Armenië, in Germanië.
Wat de kerkvaders werkelijk prijzen is iets anders: ze prijzen dat de burgeroorlogen afgelopen waren en het hele Romeinse rijk toegankelijk was. Zo konden de apostelen reizen. Hiëronymus zegt het zo: vóór Christus was de wereld vol bloed; daarna lagen de stadspoorten open voor de prediking. Wat de ouden fout deden, aldus dit betoog, was een geestelijke belofte laten rusten op een politiek feit dat niet bestond.
Waar de vrede dan wel zit
Laat die uiterlijke vrede dus varen. De Verlosser heeft haar niet gebracht. Hij zei het zelf, dat Hij geen vrede kwam brengen maar het zwaard. En hij trof haar ook niet aan bij zijn komst. Wat de engelen aankondigen is de vrede als verzoening, tussen God en mens, zo wijd als het menselijk geslacht en zo verstrekkend als de schade die Adam heeft aangericht.
Het slot is klassiek luthers. Eerst de diepte: de wet, de toorn, het geweten dat schrikt bij elke stem van de rechter, de mens die God haat. Dan de omslag: God, rijk aan barmhartigheid, vindt de weg die niemand kon bedenken.
Een bijzonder exegese: kai-aitiologikon
Achter het hele betoog schuilt een exegetische keuze. De auteur leest het kai van Lucas 2:14 als oorzakelijk, in navolging van Theophylactus van Bulgarije (die Chrysostomus excerpeert): Ere zij God in den hoge, want nu is er vrede op aarde. De vrede waar het over gaat is het gevolg van dié nacht en is dus ‘geestelijk’, en geen keizer kan haar opeisen. Wij zijn op Christus’ geboortedag door God veranderd in mensen van zijn welbehagen. Laten wij zó leven dat wij ook zo mogen heten: God heeft een welgevallen aan ons, laten wij dan elkander eveneens ‘welgevallig’ zijn.
Komt allen tesamen met Kerst
En komt dan allen tesamen, op de Kerstdag, gij burgers… in de kerken, om deze ‘Friedensschluss’ te vieren. Welkom in het bijzonder op de viering in de Paulinerkerk (Universiteit), waar om stipt twaalf uur magister Leich de oratio zal uitspreken, Gode lofprijzend door Christus onze Heer.
Meer lezen over de cantate (muziek): BWV
191
De tekst van de oratio omgezet in een homilie: Toespraak
bij een muziekviering
De volledige tekst van de
oratio
met Engelse vertaling: