Handtekening van Johann Sebastian Bach

Necrologie van J.S. Bach (D-NL)

De Levensloop van J.S. Bach — opgesteld door C.Ph. E. Bach (zoon) en Alexander Agricola (leerling), laatste alinea toegevoegd door de uitgever (Mizler) — werd in 1754 gepubliceerd in het tijdschrift van de Sociëteit voor de beoefening van de muziekwetenschappen van Lorenz Mizler. 

De volledige Duitse tekst vindt u hier.
De volledige Nederlandse vertaling vindt u hier

 

Hieronder het meest interessante stuk, nl. het slot, waarin de musicus Bach wordt geschetst... Lezen!

mizler nekrolog

Hat jemals ein Componist die Vollstimmigkeit in ihrer größten Stärke gezeiget; so war es gewiß unser seeliger Bach. Hat jemals ein Tonkünstler die verstecktesten Geheimnisse der Harmonie in die künstlichste Ausübung gebracht; so war es gewiß unser Bach. Keiner hat bey diesen sonst trocken scheinenden Kunststücken so viele Erfindungsvolle und fremde Gedanken angebracht, als eben er. Er durfte nur irgend einen Hauptsatz gehöret haben, um fast alles, was nur künstliches darüber hervor gebracht werden konnte, gleichsam im Augenblicke gegenwärtig zu haben. Seine Melodien waren zwar sonderbar: doch immer verschieden, Erfindungsreich, und keinem andern Componisten ähnlich.
Sein ernsthaftes Temperament zog ihn zwar vornehmlich zur arbeitsamen, ernsthaften, und tiefsinnigen Musik; doch konnte er auch, wenn es nöthig schien, sich, besonders im Spielen, zu einer leichten und schertzhaften Denkart bequemen. Die beständige Uebung in Ausarbeitung vollstimmiger Stücke, hatte seinen Augen eine solche Fertigkeit zu Wege gebracht, daß er in die stärksten Partituren, alle zugleich lautende Stimmen, mit einem Blicke, übersehen konnte. Sein Gehör war so fein, daß er bey den vollstimmigsten Musiken, auch den geringsten Fehler zu entdecken vermögend war. Nur Schade, daß er selten das Glück gehabt, lauter solche Ausführer seiner Arbeit zu finden, die ihm diese verdrießlichen Bemerkungen ersparet hätten. Im Dirigiren war er sehr accurat, und im Zeitmaaße, welches er gemeiniglich sehr lebhaft nahm, überaus sicher.
So lange als man uns nichts als die bloße Möglichkeit des Daseyns noch besserer Organisten und Clavieristen entgegen setzen kann; wird man uns nicht verdenken können, wenn wir kühn genug sind, immer noch zu behaupten, daß unser Bach der stärkste Orgel- und Clavierspieler gewesen sey, den man jemals gehabt hat. Es kann seyn, daß mancher berühmter Mann in der Vollstimmigkeit auf diesen Instrumenten sehr viel geleistet hat: ist er deswegen eben so fertig, und zwar in Händen und Füssen zugleich, so fertig als Bach gewesen. Wer das Vergnügen gehabt hat, ihn und andere zu hören, und sonst nicht von Vorurtheilen eingenommen ist, wird diesen Zweifel nicht für ungegründet halten. Und wer Bachens Orgel und Clavierstücke, die er, wie überall bekannt ist, in der grösten Vollkommenheit selbst ausführte, ansieht, wird ebenfalls nicht viel wider den obigen Satz einzuwenden haben. Wie fremd, wie neu, wie ausdrückend, wie schön waren nicht seine Einfälle im Phantasiren; wie vollkommen brachte er sie nicht heraus! Alle Finger waren bey | ihm gleich geübt; Alle waren zu der feinsten Reinigkeit in der Ausführung gleich geschickt. Er hatte sich so eine bequeme Fingersetzung ausgesonnen, daß es ihm nicht schwer fiel, die größten Schwierigkeiten mit der fließendesten Leichtigkeit vorzutragen. Vor ihm hatten die berühmtesten Clavieristen in Deutschland und andern Ländern, dem Daumen wenig zu schaffen gemacht. Desto besser wußte er ihn zu gebrauchen. Mit seinen zweenen Füssen konnte er auf dem Pedale solche Sätze ausführen, die manchem nicht ungeschikten Clavieristen mit fünf Fingern zu machen sauer genug werden würden.
Er verstund nicht nur die Art die Orgeln zu handhaben, die Stimmen derselben auf das geschickteste mit einander zu vereinigen, und jede Stimme, nach ihrer Eigenschaft hören zu lassen, in der größten Vollkommenheit; sondern er kannte auch den Bau der Orgeln aus dem Grunde. Das letztere bewies er sonderlich, unter andern, einmal bey der Untersuchung einer neuen Orgel, in der Kirche, ohnweit welcher seine Gebeine nunmehr ruhen. Der Verfertiger dieses Werks war ein Mann, der in den letzten Jahren seines hohen Alters stund. Die Untersuchung war vielleicht eine der schärfsten, die jemals angestellet worden. Folglich gereichte der vollkommene Beyfall, den unser Bach über das Werck öffentlich ertheilete, so wohl dem Orgelbauer, als auch wegen gewisser Umstände, Bachen selbst, zu nicht geringer Ehre.
Niemand konnte besser, als er, Dispositionen zu neuen Orgeln angeben, und beurtheilen. Aller dieser Orgelwissenschaft ungeachtet, hat es ihm, wie er oftmals zu bedauren pflegte, doch nie so gut werden können, eine recht grosse und recht schöne Orgel zu seinem beständigen Gebrauche gegenwärtig zu haben. Dieses beraubet uns noch vieler schönen und nie gehörten Erfindungen im Orgelspielen, die er sonst zu Papiere gebracht, und gezeiget haben würde, so wie er sie im Kopfe hatte. Die Clavicymbale wußte er, | in der Stimmung, so rein und richtig zu temperiren, daß alle Tonarten schön und gefällig klangen. Er wußte, von keinen Tonarten, die man, wegen unreiner Stimmung, hätte vermeiden müssen. Andere Vorzüge, die ihm eigen waren, zu geschweigen.

Von seinen moralischen Character, mögen diejenigen reden, die seines Umgangs und seiner Freundschaft genossen haben, und Zeugen seiner Redlichkeit gegen Gott und den Nächsten gewesen sind.

[Carl Philipp Emanuel Bach,
Johann Friedrich Agricola]

Als ooit een componist de polyfonie op haar best heeft getoond, dan was het zeker onze Bach zaliger. Als ooit een toonkunstenaar de meest verstopte geheimen van de harmonie tot de meest kunstige toepassing heeft gebracht; dan was het zeker onze Bach. Niemand heeft in deze anders zo droog schijnende kunststukken zo veel vindingrijke en vreemde gedachten gebruikt als juist hij. Hij hoefde maar ergens een thema te horen, om haast alles wat daar maar aan kunstzinnigs mee gedaan kon worden, direct in één oogopslag te zien. Zijn melodieën waren weliswaar merkwaardig; maar altijd vol afwisseling, vol vondsten, en met geen enkele andere componist te vergelijken.

Zijn ernstig temperament trok hem weliswaar voornamelijk naar bewerkelijke, ernstige en diepzinnige muziek, toch kon hij ook, als dat nodig leek, zich, vooral bij het spelen, met een lichte en schertsende manier van denken uiten. De niet aflatende oefening in het uitwerken van polyfone stukken, had zijn ogen een dermate vaardigheid gegeven, dat hij in de moeilijkste partituren, alle tegelijk klinkende stemmen met één blik kon overzien. Zijn gehoor was zo fijn, dat hij bij de uitvoering van de meest polyfone stukken, ook de kleinste fout kon ontdekken. Jammer alleen, dat hij zelden het geluk heeft gesmaakt, uitsluitend die uitvoerders van zijn werk te vinden, die hem deze verdrietige opmerkingen hadden bespaard. In het dirigeren was hij zeer accuraat en in het tempo, dat hij gewoonlijk zeer levendig [ lebhaft ] nam, buitengewoon zeker.
Zolang men ons niets anders dan alleen de mogelijkheid van het bestaan van een nog betere organist en klavierspeler kan bieden, zal men het ons niet kwalijk nemen, wanneer wij driest genoeg zijn nog altijd te beweren, dat onze Bach de grootste orgel- en klavierspeler geweest is, die men ooit heeft gekend. Het kan wezen, dat menig beroemde man in de polyfonie op deze instrumenten zeer veel heeft gepresteerd: is hij daarom net zo vaardig, en wel met handen en voeten tegelijk, net zo vaardig als Bach geweest? Wie het genoegen gehad heeft hem en anderen te horen, en verder niet met vooroordelen behept is, zal deze twijfel niet ongegrond vinden. En wie Bachs orgel- en klavierstukken, die hij, zoals overal bekend is, met de grootste volkomenheid zelf uitvoerde, bevallen, zal eveneens niet veel tegen bovenstaande zinsnede in te brengen hebben. Hoe vreemd, hoe nieuw, hoe uitdrukkingsvol, hoe mooi waren zijn invallen bij het fantaseren niet; hoe perfect bracht hij ze niet naar voren! Alle vingers waren bij hem evenzeer geoefend; alle waren even geschikt tot de fijnste perfectheid in de uitvoering. Hij had zich zo'n makkelijke vingerzetting bedacht, dat het hem niet moeilijk viel de grootste moeilijkheden met de meest vloeiende lichtheid uit te voeren. Vóór hem hadden de beroemdste klavierspelers in Duitsland en andere landen de duimen weinig te doen gegeven. Des te beter wist hij ze te gebruiken. Met zijn twee voeten kon hij op het pedaal dingen uitvoeren die voor menig niet onbekwaam klavierspeler met vijf vingers moeilijk genoeg zouden zijn.
Hij verstond niet alleen de kunst de orgels te hanteren, de stemmen ervan het meest geschikt met elkaar te verbinden, en iedere stem, naar haar eigenschappen te laten horen met de grootste volkomenheid, maar hij kende ook de orgelbouw grondig. Dat laatste bewees hij vooral, onder andere, eens bij het onderzoeken van een nieuw orgel, in de kerk waar niet ver vandaan nu zijn gebeente rust. De maker van dit orgel was een man, die op hoge leeftijd was gekomen. Het onderzoek was misschien wel een van de grondigste ooit uitgevoerd. Bijgevolg strekte de volkomen bijval, die onze Bach het orgel openlijk gaf, zowel de orgelbouwer als ook wegens zekere omstandigheden, Bach zelf tot niet geringe eer.
Niemand kon beter dan hij, disposities voor nieuwe orgels bepalen, en beoordelen. Ondanks al deze grote orgelkennis, is het hem nooit, zoals hij dikwijls heeft betreurd, beschoren geweest, over een echt groot en mooi orgel te beschikken. Dit berooft ons van nog veel mooie en nooit gehoorde ontdekkingen in het orgelspel, die hij anders op papier gezet en getoond zou heb- ben, zoals hij die in zijn hoofd had. Het clavecimbel kon hij zo zuiver en goed in een stemming tempereren, dat alle toonaarden mooi en aangenaam klonken. Hij kende geen toonaarden, die men, vanwege de stemming had moeten vermijden. Om over andere voortreffelijkheden die hij bezat te zwijgen.

Over zijn morele karaktereigenschappen, mogen diegenen spreken, die zijn omgang en vriendschap hebben genoten, en getuigen geweest zijn van zijn redelijkheid tegenover God en zijn naasten.