Handtekening van Johann Sebastian Bach

Necrologie van (Gedenkteken voor) J.S. Bach

De Levensloop van J.S. Bach — opgesteld door C.Ph. E. Bach (zoon) en Alexander Agricola (leerling), laatste alinea toegevoegd door de uitgever (Mizler) — werd in 1754 gepubliceerd in het tijdschrift van de Sociëteit voor de beoefening van de muziekwetenschappen van Lorenz Mizler.  Een lijvig en vaak geciteerd document. De originele Duitse tekst vindt u hier. De historische betrouwbaarheid qua anecdotes is niet altijd gewaarborgd (wat normaal is voor een tekst die is opgesteld op grond van herinnering en persoonlijke overlevering), maar het beeld dat van J.S. Bach als mens en musicus naar voren komt is wel 'uit de eerste hand' (Zie de opmerking van C.Ph.E. in de brief aan Forkel uit 1775). Natuurlijk een beetje 'scheefgetrokken' naar de goede kant, zoals een in memoriam betaamt, want dat is het eigenlijk: In de uitgave heet het niet Nekrolog (dat klinkt zo rauw), maar Denkmal (gedenkteken, monument) voor een overleden lid van de sociëteit. Bach was in 1747 (op uitnodiging) lid geworden van deze sociëteit. Als meesterproef had hij de Canonische Veränderungen over het koraal Vom Himmel hoch da komm ich her ingeleverd, een academisch werk. Beluister het maar eens. Beter nog: bestudeer de partituur. Het bekende schilderij van Hausmann hoort ook bij deze toetreding (u weet wel: met de raadselcanon à 6 in zijn hand, die trouwens ook aan het eind van het in memoriam is afgedrukt, zie onder).

 

rodeleeuwlogo

vertaling: In 1992 publiceerde Gerard van der Leeuw (De Rode Leeuw Pers) een volledige Nederlandse uitgave met facsimile van het origineel. Voorzover ik weet de eerste en enige vertaling. Ze is excellent. Dus die druk ik hieronder gewoon af, met enkele kleine correctie. "Wat betreft de vertaling", schrijft Van der Leeuw, "deze is niet wetenschappelijk bedoeld en probeert zo dicht mogelijk bij het origineel te blijven. Een opmerking slechts: ik heb consequent vollstimmig met polyfoon vertaald. 'Meerstemmig' had ook gekund, maar tijdgenoten stonden juist zo verbaasd van Bach's enorme polyfone kunnen. Uiteraard betreft het hier harmonische polyfonie."(ik zou schrijven: harmonisch contrapunt, maar dit terzijde. Van der Leeuw vertaalde ook de inleiding voorafgaand aan de gedenktekens voor overleden componisten. Die neem ik ook over, want geeft een prima beeld van waar die sociëteit mee bezig was, en dus van het milieu van de toenmalige fanclub van J.S. Bach. Niet gering. U ziet bijv. in de inhoudsopgave ook een opstel van de wiskundige Leonhard Euler, die bezig was aan zijn wiskundige muziektheorie. Over Mizler en zijn sociëteit schreef Gerard van der Leeuw ook een mooi stuk.

Inhoudsopgave

  1. inleiding

  2. levensloop

  3. werken

  4. musicus

  5. lofdicht

Titelpagina en inhoudsopgave van het eerste deel van Band IV van de Musikalische Bibiothek (1754)



Gedenkteken voor drie gestorven leden van de Sociëteit van muzikale wetenschappen.

Inleiding Mizler 

Het is een van oudsher bij alle gezelschappen loffelijk ingevoerd gebruik, dat men voor gestorven leden lofredes houdt, treurdichten op ze vervaardigt en daarin al het goede, dat zij in hun leven verricht hebben, vertelt. Hoewel alles in de wereld ijdel en vergankelijk, en daarom tot op zekere hoogte verachtenswaardig is, berust dit loffelijke gebruik toch op gronden, die het gezonde verstand geldig acht. Roem die slechts op lofredes is gebaseerd is ijdel, en de eer zó slechts lege woorden uit te drukken, niet echter de daden zelf te bezielen, is een vergankelijke, ja helemaal geen eer. Wat is de ware eer? het juiste begrip dat andere mensen, die streven naar deugd, naar het goede, naar de verheerlijking van de Schepper en naar het welzijn van de mensen, van onze handelingen en wetenschap hebben. Niemand toch zal loochenen dat de mens niet zomaar door de wijze Schepper op deze aardkloot is gezet. Er moet een einddoel zijn, waarom hij hier is, waarom hij leven en sterven moet. GOd heeft ons het verstand niet voor niets gegeven en we kunnen dit einddoel gemakkelijk vinden. Laat ons eens alleen het handelen van de mensen een beetje bekijken, en daaruit het beste destilleren, dan zal het ware einddoel van het menselijk leven ons vanzelf duidelijk worden. Wat doen de mensen zoal in de wereld? Ze onderhouden hun lichaam met spijs en drank, beweging en slaap en planten zichzelf voort. Kortom: ze leven. Maar juist dit doen de onverstandige dieren ook en wel uit dezelfde beweegredenen als de mensen, die in deze niets op ze voor hebben. Wat onderscheidt echter het menselijk leven van dat van de dieren? Het verstand, of het vermogen zich van de lichamen buiten ons juiste begrippen te maken, die met elkaar te verbinden, nuttige conclusies daaruit te trekken en daardoor de Schepper van alle dingen te erkennen, te vereren en hem voor zijn weldaden te danken, kortom dit vermogen zo aan te wenden, als met de bedoelingen van de allerwijste Schepper overeenkomt. Omdat echter elk goede einddoel zich niet slechts op een goed en juist inzicht, maar ook op een goede daad grondt, daarom moet het hoofd-einddoel van het menselijk leven niet slechts daarin gelegen zijn, de Schepper te beseffen en te vereren, maar moeten ook onze handelingen van dien aard zijn, dat zij met dit inzicht en deze verering overeenstemmen, dat betekent: we moeten inzicht en verering van het hoogste Wezen tot nut van het menselijk geslacht aanwenden. Kan echter de mens zijn verstand wel beter gebruiken, dan wanneer hij de door de Schepper in het grote boek van de Natuur getoonde waarheden inziet, en die tot verheerlijking van de Grondlegger en tot nut van het menselijk geslacht bruikbaar probeert te maken? GOD is de waarheid en het hoogste goed zelf, en de verstandige schepselen kunnen door GOD voor geen ander einddoel geschapen zijn, dan de waarheden in te zien en die ten goede, dat wil zeggen voor het geluk van de mensen aan te wenden. De verering en aanbidding van de Schepper, die voortkomt uit dankbaarheid voor zulke oneindig grote weldaden, is meer omwille van de mensen, dan om des Scheppers wil, omdat dit allerhoogste Wezen daardoor geenszins verhoogd, wel echter de mens ongemeen verbeterd wordt.

Want het inzicht in de waarheden en de aanwending daarvan ten goede, is met de dankbaarheid jegens de Schepper en diens aanbidding zo onlosmakelijk verbonden, dat het één niet zonder het ander kan. En het is zeker kenmerkend, dat een mens, die nog niet door innige dankbaarheid jegens zijn Schepper geroerd is, ook nog niet ver is gekomen in het inzicht van de waarheden, en dientengevolge die ook niet ten goede kan aanwenden en volgens het doel van de Schepper kan leven. Hoe meer hij echter het hoogste Wezen vereert, des te meer zal hij ook in de toepassing van de waarheden ten goede gesterkt en aangemoedigd worden. Omdat nu ons door het hoogste Wezen gegeven verstand duidelijk maakt, dat het einddoel van het mensenleven daarop gericht is, dat wij de Schepper en zijn schepselen begrijpen, en dit inzicht voor onze eigen gelukzaligheid moeten aanwenden; dan blijkt daaruit de waarde van de geleerde Genootschappen, die zich met vereende krachten proberen, hun verstand te gebruiken overeenkomstig de bedoelingen van de Schepper, ik bedoel, waarheden te zoeken, te vinden en deze tot nut van het menselijk geslacht bekend en nuttig te maken. Het boek van de Natuur is zo groot, en de waarheden die de Schepper ons daarin tot inzicht en onze gelukzaligheid heeft voorgelegd, zo veelvuldig, dat geen Genootschap in staat is, van alles tegelijk een menselijk gezien zo volkomen mogelijk inzicht te verwerven. Het inzicht in de waarheden omvat een zeer uitgestrekt gebied, het leven van een mens is echter zeer kort. Geleerde Genootschappen kunnen zich dus maar op bepaalde soorten waarheden, die streven naar het nut voor het menselijk leven en de gelukzaligheid ervan, toeleggen. Wij weten, dat met de ware gelukzaligheid op deze aarde ook een zuiver genoegen verbonden is, en GOD wil, dat wij gelukzalig en vergenoegd leven, daarom heeft hij ook alle uitwendige zintuigen met aangename ervaringen begiftigd, en geen is misschien edeler dan de aangename ervaring van het gehoor, of goede muziek. Is het echter wel de moeite waard, dat een heel gezelschap zich uitsluitend om de aangename ervaring van het gehoor bekommert! Wordt misschien het menselijk geslacht gelukkiger, wanneer ze die aanlokkelijker maakt? Lijkt dat niet veel meer de wellust te bevorderen? Het is waar dat mannen, met verstand begaafd, wel wat beters kunnen doen, dan zich om de muziek te bekommeren, wanneer het einddoel daarvan uitsluitend het genoegen van het oor zou zijn, zoals vele, ook verstandige mannen, geheel ten onrechte menen. De muziek dient en verrukt tegelijk en draagt nochtans veel tot een gelukzalig en genoeglijk leven van de mens bij. We zullen het in het kort bewijzen. Als de kunst van het zien een zo grote en belangrijke wetenschap van de mathematiek is, waarin zovele goede mannen gewerkt en waarheden tot nut van de mensen bekend gemaakt hebben, dan moet de kunst van het horen nog veel meer zijn, die niet slechts de mensen net zo veel genoegen, zo niet meer, verschaft, maar ook veel meer nut heeft dan de kunst van het zien. Ze dringt in het hart van de mensen, en kan dat voor goede ontroering geschikt maken. Daarom heeft men haar al vanaf oeroude tijden gebruikt bij de verering van goden en wij hebben haar nog nodig ter opluistering van de dienst. Dat is al een groot nut dat de muziek heeft; dat zij dankbaarheid jegens de Schepper en de innige aanbidding van Hem vermeerderen kan. Als de muziek goede ontroering bij de mensen kan opwekken, dan kan ze die ook geschikt maken voor andere deugden, en dus de hartstochten van de mensen louteren, dat wil zeggen, als ze daarop gemaakt is, die verbeteren. Men kan van een enkele andere mathematische wetenschap zeggen, dat zij zoveel macht over het hart van de mensen heeft, als juist de muziek. Omdat aldus het juiste gebruik van deze heerlijke wetenschap de mensen zo ontroeren, de hartstochten louteren, tot deugd en vrome aandacht opwekken, en bovendien het inzicht van de mensen en het genoegen van hen, vermeerderen kan, loont het zeker wel de moeite, dat een heel Genootschap van mannen een wetenschap van grote betekenis, de muziek, met vlijt onderzoekt en hun prestaties tot nut van anderen, die niet in staat zijn zelf dergelijke onderzoekingen te verrichten, bekend en bruikbaar maakt. Het is dus een ware eer lid van een dergelijk Genootschap te zijn; niet slechts, omdat hiertoe een meer dan gewoon inzicht deze wetenschap verlangd wordt, maar ook omdat dergelijke mannen voortreffelijk naar de bedoeling van de Schepper leven, omdat hun streven gericht is op het goede, op de bevordering in de deugd, op verheerlijking van de Schepper en op het welzijn van de mensen. Vooral om deze reden is het te prijzen, terecht en voor het nageslacht nuttig, wanneer men leven en daden zulke mannen opschrijft, en het nageslacht ter opwekking in deze wetenschap en ter navolging voorlegt. We zullen deze keer van drie dergelijke goede mannen, van drie gestorven en van de Sociëteit van muzikale wetenschappen spreken. De eerste [...] De tweede [...]

 

De derde en laatste is de in het Orgelspelen wereldberoemde HoogEdele Heer Johann Sebastian Bach, Koninklijk Pools en Keurvorstelijk Saksisch Hofcomponist, en Muziekdirecteur in Leipzig.

Johann Sebastian Bach behoort tot een familie, die liefde en geschiktheid voor de muziek, als een algemeen geschenk voor al haar leden, van de natuur meegekregen schijnt te hebben. Zo veel is zeker, dat vanaf Veit Bach, de stamvader van dit geslacht, al zijn nakomelingen, nu al tot in het zevende geslacht zich aan de muziek hebben gewijd en ook allen, met maar een paar uitzonderingen, daar hun beroep van hebben gemaakt. Deze Veit , was in de 16de eeuw, vanwege zijn geloof uit Hongarije verdreven en had zich nadien in Thuringen gevestigd. Veel van zijn nakomelingen hebben ook in deze provincie hun woonplaats gevonden. Onder de vele leden van de familie Bach, die zich in de praktijk van de muziek, ook het vervaardigen van nieuwe muziekinstrumenten hebben onderscheiden, zijn behalve onze Johann Sebastian , vooral de volgende, vanwege hun composities opvallend: 1) Heinrich Bach, een in het jaar 1692 gestorven organist in Arnstadt: 2) en 3) diens beide zonen: Johann Christoph, hof- en stadsorganist in Eisenach, die in 1703 is gestorven, en Johann Michael organist en stadsschrijver in dienst van Gehren, Johann Sebastian's eerste schoonvader: 4) Johann Ludwig Bach, Hertogelijk Kapelmeester in Meiningen: 5) Johann Bernhard Bach, kamermusicus en organist in Eisenach, die in 1749 de eeuwigheid is binnengegaan. Van allen bestaan nog werken, die van de kracht van hun scheppers, zowel in de vocale- als in de instrumentale compositie voldoende getuigen. Vooral bovengenoemde Johann Christoph is groot geweest zowel in het vinden van mooie gedachtes als ook in woorduitbeelding. Hij componeerde, zoveel als de toenmalige smaak het toestond zowel galant en zingend, als ongemeen polyfoon. Wat het eerste betreft kan een, iets meer dan zeventig jaar geleden door hem gecomponeerd Motet, waarin hij, naast andere aardige invallen, al de moed had de overmatige sext* te gebruiken getuigenis afleggen; wat het tweede punt betreft echter, is een door hem zonder de ware harmonie ook maar enig geweld aan te doen met 22 obligate stemmen*, gezet kerkelijk werk net zo merkwaardig, als het feit dat hij op het orgel en het klavier nooit met minder dan vijf noodzakelijke stemmen gespeeld heeft. Johann Bernard heeft veel in de stijl van Telemann gemaakte ouvertures gecomponeerd. Het zou verwondering kunnen wekken, dat zulke brave mannen, buiten hun vaderland zo weinig bekend zijn geworden; als men niet zou bedenken dat deze oprechte Thuringers met hun vaderland en hun positie zo tevreden waren, dat ze het niet eens wilden proberen, ver daarvandaan hun geluk te gaan zoeken. Ze schatten de bijval van de Heren, in wiens gebied ze waren geboren en van een menigte trouwhartige landgenoten, waarvan ze zeker waren met genoegen hoger dan andere, nog onze- kere, met moeite en kosten te zoeken roem van minder, en bovendien daarbij nog jaloerse buitenlanders. Ondertussen zal de plicht die op ons rust, het aandenken van verdienstelijke mannen te vernieuwen en te bevestigen ons bij diegenen die deze lange omweg in de muzikale geschiedenis van het geslacht Bach een beetje te langdradig moge toeschijnen voldoende kunnen verontschuldigen. We keren terug tot onze Johann Sebastian.

 

Hij werd in het jaar 1685 op 21 maart, in Eisenach geboren. Zijn ouders waren: Johann Ambrosius Bach, hof- en stadsmuzikant ter plaatse; en Elisabeth, geboren Lammerhirt , dochter van een raadslid in Erfurt. Zijn vader had een tweelingbroer genaamd Johann Christoph , die hof- en stadsmusicus in Arnstadt was. De beide broers waren elkaar in alles, ook zelfs wat betreft de gezondheidstoestand en de kennis van de muziek zo gelijk, dat men ze, als ze samen waren, alleen door de kleding van elkaar kon onderscheiden.

 

Johann Sebastian was nog geen tien jaar oud, toen hij zich door de dood van zijn ouders beroofd zag. Hij begaf zich naar Ohrdruf naar zijn oudste broer Johann Christoph , organist aldaar en legde onder diens leiding de basis voor het klavierspel. Het plezier van onze kleine Johann Sebastian in de muziek was al op deze jonge leeftijd ongehoord . In korte tijd was hij alle stukken die zijn broer hem vrijwillig te leren had gegeven volledig meester. Een boek vol klavierstukken van de toenmalig beroemde meesters Froberger, Kerl, Pachelbel echter, [addendum van CPEBach 1773 brief aan Forkel): Naast Frobergern, Kerl en Pachhelbel heeft hij ook de werken van Frescobaldi, de Badens Kapelmeester Fischer, Strunck, en enige oude goede fransen, en Buxdehude, Reincken, Bruhns etc. en zijn Lüneburgsche leraar Böhm geliefd en gestudeerd] ; dat zijn broer bezat, werd hem, ondanks al zijn verzoeken, om wie weet welke redenen, niet gegeven. Zijn ijver steeds verder te komen, leidde hem tot het volgende onschuldige bedrog. Het boek lag in een slechts met traliedeurtjes gesloten kast. Hij haalde het aldus, doordat hij met zijn kleine handen door de tralies komen, en het slechts in papier gebonden boek in de kast langzaam op- rollen kon, op die manier 's nachts, als iedereen naar bed was, uit de kast en schreef het, hoewel hij nog niet eens over een kaars beschikte, in het licht van de maan over. Na zes maanden was de muzikale buit veilig in zijn handen. Hij probeerde die zich in het geheim met buitengemeen verlangen ten nutte te maken, toen, tot zijn grote smart, zijn broeder dat merkte, en hem zijn met zoveel moeite gemaakte afschrift zonder erbarmen afpakte. Een gierigaard van wie een schip, op weg naar Peru, met honderdduizend thaler aan boord verloren gegaan is, kan ons een levendige indruk van het verdriet van onze kleine Johann Sebastian over het verlies geven. Hij kreeg het boek niet eerder, dan na het overlijden van zijn broer, terug. maar is niet juist deze begeerte om in de muziek verder te komen, en vooral de aan het genoemde boek gespendeerde ijver, toevalligerwijs misschien de eerste reden voor de oorzaak van zijn eigen dood geweest? We zullen het hieronder horen.

 

Johann Sebastian begaf zich, nadat zijn broer gestorven was*, in het gezelschap van zijn schoolvriend, Erdman genaamd, die een paar jaar geleden, als baron en Russisch-Keizerlijk gezant in Gdansk het tijdelijke gezegend heeft, naar Lüneburg naar het Michaels Gymnasium aldaar.

 

In Lüneburg werd onze Bach, vanwege zijn ongemeen fraaie sopraanstem, goed binnen- gehaald. Enige tijd daarna lieten zich voor het eerst, toen hij in het koor zong, ongeweten en tegen zijn wil bij de sopraantonen die hij moest zingen tegelijkertijd de tonen een octaaf lager horen. Deze geheel nieuwe toestand van zijn stem behield hij ongeveer acht dagen; een tijd waarin hij niet anders dan in octaven praten en zingen kon. Hierna verloor hij de tonen van de sopraan en daarmee ook zijn mooie stem.

 

Van Lüneburg uit reisde hij af en toe naar Hamburg, om de toen beroemde organist Johann Adam Reinken te horen. Ook was hij van hieruit in de gelegenheid, zich door het meerdere malen beluisteren van een toen beroemd orkest, dat de hertog van Celle erop nahield, en dat grotendeels uit Fransen bestond, de Franse stijl, die in die landen in die tijd iets geheel nieuws was, eigen te maken.

In het jaar 1703 kwam hij naar Weimar en werd aldaar hofmusicus. Het jaar daarop kreeg hij de functie van organist aan de nieuwe kerk in Arnstadt. In de orgelkunst nam hij zich de werken van Bruhns , Reinken, Buxtehude en enige goede Franse organisten tot voorbeeld. Hier in Arnstadt bewoog hem voor het eerst een bijzonder sterk verlangen, dat hij had, zo veel mogelijk goede organisten als hem maar mogelijk was te horen, zodat hij, en wel te voet, aan een reis naar Lübeck begon om daar de beroemde organist aan de Mariakerk Dietrich Buxtehude te horen . Hij verbleef daar, niet zonder nut, haast een kwartaal, en keerde toen weer naar Arnstadt terug.

 

In het jaar 1707, werd hij tot organist aan de S. Blasiuskerk in Mühlhausen beroepen. Maar deze stad kon niet lang het genoegen smaken hem te behouden. Want een in het volgende jaar, 1708 ondernomen reis naar Weimar, en de daarbij geboden kans zich voor de toenmalige Hertog te laten horen, maakte dat men hem de kamer- en hoforganistenpost in Weimar aanbood, waarvan hij ook direct gebruik maakte. Het welbehagen van zijn genadige Heer in zijn spel, vuurde hem aan al het mogelijke in de orgelkunst te gebruiken, te proberen. Hier heeft hij ook de meeste van zijn orgelstukken geschreven. In het jaar 1714 werd hij aan dit hof tot concertmeester benoemd. De met deze positie verbonden verplichtingen echter, bestonden toen hoofdzakelijk daarin, dat hij kerkmuziek moest componeren en uitvoeren. In Weimar heeft hij niet weinig verschillende goede organisten opgeleid, waaronder Johann Caspar Vogler , zijn tweede opvolger daar, het verdient voortreffelijk te worden genoemd.

Na de dood van Zachau , muziekdirecteur en organist aan de Marktkerk in Halle, kreeg onze Bach een beroep naar diens ambt. Hij reisde ook daadwerkelijk naar Halle, en voerde aldaar zijn proefstuk uit. Maar, hij had redenen deze post af te slaan, die daarop Kirchhof kreeg.

 

Het jaar 1717 gaf onze al zo beroemde Bach een nieuwe gelegenheid nog meer eer te behalen. De in Frankrijk beroemde klavierspeler en organist Marchand was naar Dresden gekomen, had zich aan de Koning met bijzondere bijval laten horen, en was zo gelukkig, dat hem een koninklijk dienstverband met een forse salariëring werd aangeboden. De toenmalige concertmeester in Dresden, Volumier, schreef aan Bach, wiens verdiensten hem niet onbekend waren, in Weimar, en nodigde hem uit, onverwijld naar Dresden te komen, om met de hoogmoedige Marchand een muzikale wedstrijd, aan wie men de voorkeur gaf, te wagen. Bach nam de uitnodiging gewillig aan, en reisde naar Dresden. Volumier ontving hem met vreugde, en bood hem de gelegenheid zijn tegenstander eerst verstopt te beluisteren. Bach nodigde hierop Marchand met een hoffelijke, handgeschreven brief, waarin hij aanbood, alles wat Marchand hem aan muzikale zaken zou voorleggen, voor de vuist weg uit te voeren, en zich door hem van diens kant een gelijke bereidwilligheid liet beloven, voor een wedstrijd uit. Voorwaar, een groot waagstuk! Marchand toonde zich daartoe bereid.. Dag en uur werd, niet zonder voorkennis van de Koning, vastgesteld. Bach was op de bepaalde tijd op de plaats van de strijd in het huis van een voorname minister waar zich een groot gezelschap van personen van hoge rang, van beiderlei geslacht verzameld had. Marchand liet lang op zich wachten. Uiteindelijk stuurde de heer des huizes een boodschap naar Marchand's huis, om hem, als hij het misschien vergeten mocht hebben, eraan te herinneren, dat het tijd was, zich een man te betonen. Men hoorde echter tot zijn grote verwondering, dat Monsieur Marchand diezelfde dag, in alle vroegte, met een extra postkoets uit Dresden was afgereisd. Bach, die nu aldus meester van het strijdperk was, had daardoor gelegenheid genoeg, de kracht waarmee hij tegen zijn tegenstander bewapend was, te tonen. Hij deed het ook , tot verwondering van alle aanwezigen. De Koning had voor hem een geschenk van 500 thaler bestemd: maar door de ontrouw van een zekere dienaar, die dit geschenk beter dacht te kunnen gebruiken, werd het hem door de neus geboord, en moest hij de verworven eer als enige beloning voor zijn inspanningen mee naar huis nemen. Vreemd noodlot! Een Fransman laat een hem aangeboden salaris van meer dan duizend thaler vrijwillig in de steek, en de Duitser, die hem gezien zijn vlucht blijkbaar de loef afsteekt kan niet eens een hem door de genade des Konings toebedacht geschenk deelachtig worden. Overigens stond Bach Marchand de roem van een mooie en zeer zorgvuldige uitvoering gaarne toe. Of echter Marchands musettes voor de Kerstnacht, waarvan de uitvinding en uitvoering hem in Parijs de meeste roem moet hebben gebracht , tegen Bachs veelzijdige Fuga's voor de kenners stand gehouden zouden hebben; dat mogen diegenen die beide in hun volle kracht gehoord hebben, beslissen. Nadat onze Bach weer naar Weimar terug gekeerd was, beriep, nog in datzelfde jaar de toenmalige vorst Leopold van Anhalt-Cöthen, een groot kenner en liefhebber van de muziek, hem tot zijn kapelmeester. Hij begon onverwijld aan dit ambt en behield het 6 jaren, tot het grootste genoegen van zijn genadige Vorst. Gedurende deze tijd, ongeveer in het jaar 1722 (nvdr: 1720), maakte hij een reis naar Hamburg, en liet zich daar, voor de magistraat en vele andere voornamen van de stad, op het mooie orgel van de Catharinakerk, tot algehele verwondering meer dan 2 uur lang horen. De oude organist aan deze kerk, Johann Adam Reinken, die toendertijd bijna honderd jaar oud was (nvdr. eerder ca. 80, maar dat is niet Bach's schuld), luisterde met bijzonder genoegen naar hem, en maakte hem, in het bijzonder over het koraal An Wasserflüssen Babylon , dat onze Bach, op verzoek van de aanwezigen, voor de vuist weg, zeer uitgebreid, bijna een half uur lang, op verschillende manieren, zoals toen de goeden onder de Hamburgse organisten het in de zaterdagse Vespers gewend waren, uitvoerde, het volgende compliment: "Ik dacht dat deze kunst was uitgestorven, maar ik zie, dat ze in u nog voortleeft." Deze uitspraak van Reinken kwam des te onverwachter, omdat hijzelf lange jaren geleden dit koraal zelf, op de bovenvermelde manier had getoonzet: hetgeen, en ook dat hij voor het overige altijd een beetje hatelijk was, Bach niet onbekend was. Reinken nodigde hem hierop zich thuis en bewees hem veel hoffelijkheid.

 

De stad Leipzig koos onze Bach in 1723 tot haar Muziekdirecteur en Cantor aan de Thomasschool. Hij volgde dit beroep, hoewel hij zijn genadige Vorst niet graag verliet. De voorzienigheid leek hem nog voor de spoedig daarop volgende, totaal onverwachte dood van de Vorst, uit Cöthen te willen verwijderen, opdat hij tenminste bij dit bedroevenswaardige voorval niet meer aanwezig hoefde te zijn. Hij had nog het treurige genoegen , voor zijn zo innig geliefde Vorst, de treurmuziek vanuit Leipzig te maken en zelf in Cöthen uit te voeren.

 

Niet lang daarna benoemde de Hertog van Weissenfels hem tot zijn kapelmeester; en in het jaar 1736 werd hij tot Koninklijk Pools en Keurvorstelijk Saksisch Hofcomponist benoemd: nadat hij zich enige malen daarvoor in Dresden, openbaar, aan het hof en de toenmalige muziek- minnaars, met grote bijval, op het orgel had laten horen.

 

In 1747 maakte hij een reis naar Berlijn, en had bij deze gelegenheid de genade, zich aan Zijne Majesteit de Koning van Pruisen, in Potsdam te laten horen. Zijne Majesteit speelde hem zelf een thema voor een fuga voor, dat hij direct, voor Hoogstdezelve met genoegen op het pianoforte uitvoerde. Hierop verlangde Zijne Majesteit een fuga met zes obligate stemmen te horen, welks bevel hij ook, direct, over een zelf gekozen thema, tot verwondering van de Koning, en de aanwezige toonkunstenaars, opvolgde. Na zijn terugkeer naar Leipzig, bracht hij een driestemmig en een zesstemmig zogenaamd Ricercare, alsmede nog enige andere kunststukken over juist het door Zijne Majesteit aan hem opgedragen thema, op papier, en droeg het in koper gestoken aan de Koning op.

 

Zijn van nature een beetje zwakke ogen, die door zijn ongehoorde ijver in zijn studietijd, waarbij hij, vooral in zijn jeugd, hele nachten lang opzat, nog zwakker geworden waren, bezorgden hem in zijn laatste jaren een oogziekte. Hij wilde deze, gedeeltelijk uit verlangen God en zijn naasten met zijn voor het overige nog zeer levendige ziels- en lichaamskracht verder te dienen, gedeeltelijk op aanraden van enige van zijn vrienden, die veel vertrouwen in een toenmalig in Leipzig aangekomen oogarts hadden, middels een operatie laten verhelpen. Maar deze, hoewel ze nog een keer herhaald moest worden, liep zeer slecht af. Hij kon niet slechts zijn ogen niet weer gebruiken: maar zijn voor het overige buitengewoon gezonde lichaam, werd mede daardoor en door de voorgeschreven medicamenten en bijverschijnselen, totaal geruïneerd: zó dat hij daarop een half jaar lang, haast steeds ziekelijk was. Tien dagen voor zijn dood leek het of het plotseling beter met zijn ogen ging: zozeer dat hij opeens 's morgens weer heel goed alles zien kon. Maar enige uren daarna werd hij door een beroerte getroffen; daarop volgde een heftige koorts, waaraan hij, ondanks alle mogelijke zorgen van twee artsen uit Leipzig, op 28 juli 1750, 's avonds om kwart voor 9, in zijn zes en zestigste levensjaar, in de verdienste van zijn Verlosser zacht en zalig ontslapen is.

 

De werken, die men aan deze grote toonkunstenaar te danken heeft, zijn allereerst de volgende, die door de kopergravure gemeengoed geworden zijn:

  1. Eerste deel van de ClavierÜbung, bestaande uit zes Suiten (nvdr. in het origineel staat 'Seiten', drukfout = Partita's BWV 825-830)

  2. Tweede deel van de Clavier-Übung, bestaande uit een concert en een ouverture voor clavecimbel met twee manualen.

  3. Derde deel van de Clavier-Übung, bestaande uit verschillende voorspelen over enige kerkliederen, voor orgel.

  4. Een Aria met 30 variaties, voor 2 manualen.

  5. Zes driestemmige voorspelen, voor evenzoveel liederen, voor orgel.

  6. Enige canonische veranderingen over het gezang: Vom Himmel hoch da komm ich her.

  7. Twee fuga's, een trio en ettelijke canons over het bovenvermelde door Zijne Majesteit de Koning van Pruisen opgegeven thema; onder de naam: musicalisches Opfer .

  8. Die Kunst der Fuge . Dit is het laatste werk van de componist, dat alle soorten van contrapunten en canons, over een enkel thema bevat. Zijn laatste ziekte heeft hem verhinderd de voorlaatste fuga, naar zijn ontwerp, geheel ten einde te brengen, en de laatste, die 4 thema's bevatte die vervolgens in alle 4 stemmen noot voor noot omgekeerd zouden worden, uit te werken. Dit werk is pas na de dood van de maker zaliger uitgegeven.

De ongedrukte werken van Bach zaliger zijn ongeveer de volgende:

  1. Vijf jaargangen kerkcantates, voor alle zon- en feestdagen. (nvdr. Er zijn er drie bekend, ook niet compleet overgeleverd), maar wellicht is er nog meer geweest/verloren gegaan)

  2. Veel oratoria, Missen, Magnificat, losse Sanctus, Drama's, Serenades, Geboorte-, Naamdag- en Treurmuzieken, Bruidsmissen, ook enige komische zangstukken.

  3. Vijf passionen, waaronder zich een dubbelkorige bevindt. (nvdr. Er zijn er twee bekend. De Lucaspassie is waarschijnlijk onecht en van de Marcus passie kennen we alleen de tekst, al is een reconstructie van sommige delen mogelijk gebleken)

  4. Enige dubbelkorige motetten.

  5. Een groot aantal vrije voorspelen, fuga's en dergelijke stukken voor orgel, met obligaat pedaal.

  6. Zes Trio's voor orgel, met obligaat pedaal.

  7. Veel voorspelen voor koralen, voor orgel.

  8. Een boek vol korte voorspelen voor de meeste kerkliederen, voor orgel.

  9. Tweemaal vierentwintig voorspelen en fuga's, door alle toonaarden, voor klavier.

  10. Zes Toccata's voor klavier.

  11. Zes doortgelijke suites.

  12. Nog zes soortgelijke, iets korter.

  13. Zes Sonates voor viool, zonder bas.

  14. Zes soortgelijke voor cello.

  15. Verscheidene concerten voor 1, 2, 3 en 4 clavecimbels.

  16. Tot slot een menigte andere instrumentale muziek, van allerlei aard, voor allerlei instrumenten.

Tweemaal is onze Bach getrouwd geweest. De eerste maal met mejuffrouw Maria Barbara, de jongste dochter van de boven herdachte Joh. Michael Bach, een goed componist. Met haar heeft hij 7 kinderen, namelijk 5 zonen en 2 dochters, waaronder zich ook een paar tweelingen hebben bevonden,, opgevoed. Drie daarvan zijn nog in leven, namelijk: de oudste ongetrouwde dochter, Catharina Dorothea , geboren in 1708; Wilhelm Friedemann, geboren in 1710, de huidige muziekdirecteur en organist aan de Marktkerk in Halle; en Carl Philipp Emanuel, geboren in 1714, Koninklijk Pruisisch kamermusicus. Nadat hij met deze, zijn eerste vrouw 13 jaar lang een goed huwlijk had gehad, overviel hem in Cöthen, in het jaar 1720 de gevoelige smart haar, bij zijn terugkeer van een reis met zijn vorst naar Karlsbad, dood en begraven te vinden; hoewel hij haar bij zijn afreizen gezond en wel verlaten had. Het eerste nieuws dat ze ziek en gestorven was, kreeg hij bij binnenkomst in zijn huis.

Voor de tweede maal trouwde hij in Cöthen, in het jaar 1721, met mejuffrouw Anna Magdalena, de jongste dochter van de heer Johann Caspar Wülcken, hertogelijk hoftrompetter in Weissenfels. Van de 13 kinderen, namelijk 6 zonen en 7 dochters, die zij hem gegeven heeft leven de volgende zes nog: 1) Gottfried Heinrich, geboren in 1724. 2) Elisabeth Juliane Friedrike, geboren in 1726, die getrouwd is met de organist van de S. Wenceslav in Naumberg, de heer Altnikol, een degelijk componist. 3) Johann Christoph Friedrich, geboren in 1732, tegenwoordig kamermusicus bij de Hoogrijksgraaf van Schaumburg-Lippe. 4) Johann Christian, geboren in 1735. 5) Johanna Carolina , geboren in 1737. 6) Regina Susanna , geboren in 1742. De weduwe is ook nog in leven.

Dit is de korte beschrijving van het leven van een man, die de muziek, zijn vaderland, en zijn geslacht, tot zeer hoge eer heeft gestrekt.


[de musicus]

Als ooit een componist de polyfonie op haar best heeft getoond, dan was het zeker onze Bach zaliger. Als ooit een toonkunstenaar de meest verstopte geheimen van de harmonie tot de meest kunstige toepassing heeft gebracht; dan was het zeker onze Bach. Niemand heeft in deze anders zo droog schijnende kunststukken zo veel vindingrijke en vreemde gedachten gebruikt als juist hij. Hij hoefde maar ergens een thema te horen, om haast alles wat daar maar aan kunstzinnigs mee gedaan kon worden, direct in één oogopslag te zien. Zijn melodieën waren weliswaar merkwaardig; maar altijd vol afwisseling, vol vondsten, en met geen enkele andere componist te vergelijken. Zijn ernstig temperament trok hem weliswaar voornamelijk naar bewerkelijke, ernstige en diepzinnige muziek, toch kon hij ook, als dat nodig leek, zich, vooral bij het spelen, met een lichte en schertsende manier van denken uiten. De niet aflatende oefening in het uitwerken van polyfone stukken, had zijn ogen een dermate vaardigheid gegeven, dat hij in de moeilijkste partituren, alle tegelijk klinkende stemmen met één blik kon overzien. Zijn gehoor was zo fijn, dat hij bij de uitvoering van de meest polyfone stukken, ook de kleinste fout kon ontdekken. Jammer alleen, dat hij zelden het geluk heeft gesmaakt, uitsluitend die uitvoerders van zijn werk te vinden, die hem deze verdrietige opmerkingen hadden bespaard. In het dirigeren was hij zeer accuraat en in het tempo, dat hij gewoonlijk zeer levendig [ lebhaft ] nam, buitengewoon zeker.

Zolang men ons niets anders dan alleen de mogelijkheid van het bestaan van een nog betere organist en klavierspeler kan bieden, zal men het ons niet kwalijk nemen, wanneer wij driest genoeg zijn nog altijd te beweren, dat onze Bach de grootste orgel- en klavierspeler geweest is, die men ooit heeft gekend. Het kan wezen, dat menig beroemde man in de polyfonie op deze instrumenten zeer veel heeft gepresteerd: is hij daarom net zo vaardig, en wel met handen en voeten tegelijk, net zo vaardig als Bach geweest? Wie het genoegen gehad heeft hem en anderen te horen, en verder niet met vooroordelen behept is, zal deze twijfel niet ongegrond vinden. En wie Bachs orgel- en klavierstukken, die hij, zoals overal bekend is, met de grootste volkomenheid zelf uitvoerde, bevallen, zal eveneens niet veel tegen bovenstaande zinsnede in te brengen hebben. Hoe vreemd, hoe nieuw, hoe uitdrukkingsvol, hoe mooi waren zijn invallen bij het fantaseren niet; hoe perfect bracht hij ze niet naar voren! Alle vingers waren bij hem evenzeer geoefend; alle waren even geschikt tot de fijnste perfectheid in de uitvoering. Hij had zich zo'n makkelijke vingerzetting bedacht, dat het hem niet moeilijk viel de grootste moeilijkheden met de meest vloeiende lichtheid uit te voeren. Vóór hem hadden de beroemdste klavierspelers in Duitsland en andere landen de duimen weinig te doen gegeven. Des te beter wist hij ze te gebruiken. Met zijn twee voeten kon hij op het pedaal dingen uitvoeren die voor menig niet onbekwaam klavierspeler met vijf vingers moeilijk genoeg zouden zijn. Hij verstond niet alleen de kunst de orgels te han- teren, de stemmen ervan het meest geschikt met elkaar te verbinden, en iedere stem, naar haar eigenschappen te laten horen met de grootste volkomenheid, maar hij kende ook de orgelbouw grondig. Dat laatste bewees hij vooral, onder andere, eens bij het onderzoeken van een nieuw orgel, in de kerk waar niet ver vandaan nu zijn gebeente rust (nvdr: Bach werd volgens overlevering op zes passen van de zuidelijke kerkdeur van de Johanneskerk begraven. Het orgel is van Johann Scheibe (circa 1675-1748). In 1894 heeft men een skelet opgegraven van een ong. 65-jarige man. Ergo Bach (Is dat zo? https://skepsis.nl/bach). Kerk verwoest in WO II. In 1949/1950 herbegraven in de Thomaskerk, sindsdien bedevaartsoord). De maker van dit orgel was een man, die op hoge leeftijd was gekomen (nvdr. . Het onderzoek was misschien wel een van de grondigste ooit uitgevoerd. Bijgevolg strekte de volkomen bijval, die onze Bach het orgel openlijk gaf, zowel de orgelbouwer als ook wegens zekere omstandigheden, Bach zelf tot niet geringe eer.

Niemand kon beter dan hij, disposities voor nieuwe orgels bepalen, en beoordelen. Ondanks al deze grote orgelkennis, is het hem nooit, zoals hij dikwijls heeft betreurd, beschoren geweest, over een echt groot en mooi orgel te beschikken. Dit berooft ons van nog veel mooie en nooit gehoorde ontdekkingen in het orgelspel, die hij anders op papier gezet en getoond zou heb- ben, zoals hij die in zijn hoofd had. Het clavecimbel kon hij zo zuiver en goed in een stemming tempereren, dat alle toonaarden mooi en aangenaam klonken. Hij kende geen toonaarden, die men, vanwege de stemming had moeten vermijden. Om over andere voortreffelijkheden die hij bezat te zwijgen.

Over zijn morele karaktereigenschappen, mogen diegenen spreken, die zijn omgang en vriendschap hebben genoten, en getuigen geweest zijn van zijn redelijkheid tegenover God en zijn naasten.

[toevoeging Mizler] Van de Sociëteit van Muzikale Wetenschappen is hij in het jaar 1747 in de maand juni op instigatie van hofraad Mitzler, wiens goede vriend hij was, en aan wie hij nog als student in Leipzig aanwijzingen in het klavierspelen en de compositie had gegeven, lid geworden. Onze Bach zaliger liet zich weliswaar niet in met diepe theoretische beschouwingen over de muziek, maar hij was des te groter in haar beoefening. Voor de Sociëteit heeft hij het koraal Vom Himmel hoch da komm ' ich her geschreven, compleet uitgewerkt, dat daarna in koper gestoken is. Hij heeft ook de in Tab, IV, f 16 afgedrukte canon te zelfdertijd voorgelegd en zou zonder meer nog veel meer gedaan hebben, als de korte tijd, doordat hij maar drie jaar lid is geweest, hem daarvan niet had weerhouden.

canon a 6 (mizler 1754)

J.S. Bach, Elias Hausmann – de canon triplex (klik hier voor de oplossing)

Het lofdicht dat hem ter ere als lid in naam van de Sociëteit door de heer Dr. Georg Wenzky gemaakt is, luidt als volgt:

vertaling van Gerard van der Leeuw is wat vrijer (logisch, want anders is het helemaal niets) en ook wat stouter (het Duitse origineel vindt u hier)

 

Het koor.

Dempt, muzen, uw snarenspel!
Breekt af, breekt af die vreugdeliederen!
Staakt het genoegen is het doel
En zingt tot troost van bedroefde broeders.
Hoort welk gerucht er klinkt:
Hoort wat voor klagen Leipzig zingt.
Het zal u storen
Maar u moet het horen.


Leipzig
Recitativo of vertelling.

De grote Bach, die onze stad
Ja, die Europa's grote rijk,
Verhief, en haast niet zijn gelijke had,
Die is helaas! Een lijk.
Bach, die onze Muzenhol
Zo onvergelijk'lijk sierde

Bach die met zijn aangename grol
Met zijn snarenklank
Een veelvuldig gezang
Die jeugd, vrouwen, mannen
Ja vorsten, koningen, en alle echte kenners
Verrukte, leerde, ontroerde:

Arioso: Die moet nu onze rust verstoren
Hij sterft en snelt naar hoog're koren.
De trouwe Bach wordt kil
Muziek en orgel zwijgt stil.
O scheur, o val, o smarten!
Hoe bloeden onze harten!


De componisten of toondichters.
Aria

Waar ijlt gij heen?
Vererenswaard'ge Bach!
Vervul je je gilde met een wrang wee en ach?
Ach zullen jouw melodieën
Ons verder niet meer stichten, niet verheugen?
God late jouw geest op jouw broeders rusten
Opdat ze jouw kunst in volle rijpheid zien
En Zijne majesteit naar waardigheid verhogen.
Dit alles willen wij ter zijner roem doen.
Doch klinkt je de weemoed na, ach;
Waar ijlt gij heen,
vererenswaard'ge Bach?


De vrienden der toonkunst
vertelling

Hoe af en hoe volkomen
Was de gelukzaal'ge Bach,
Die ons is zojuist ontnomen?
Hoe rijk, hoe bijzonder
Hoe ondoorgrondelijk was
Zijn edele geest
Die zich de sterfelijkheid ontrukt?
Hoe menigvuldig
Was zijn kunst
Die aller kenners gunst
Niet trok, vaak deed ergeren
Zijn vlucht was hoog, de bezieling schoon
Zijn vleien bekoorlijk
Zijn schelden behoorlijk
Men hoorde gans verrukt de roem des Scheppers verhogen
Een klagen drong door oren, ogen, hart
Zijn juichen verzachtte d'allergrootste smart
O, dat wij deze held der virtuozen missen!
Maar wij zullen ons aan zijn meesterwerken
Die hij ons achterlaat
Als een edele rest
Des te meer verkwikken.
Arioso: Jehova, laat toch de virtuozen leven,
                 Die nog in staat zijn, de zoete kunst te geven!


Het muzikale gezelschap (collegium musicum).
Aria, tweestemmig

Klaagt broeders om het hardst
En beweent het verlies!
Onze God slaat met zijn zwaard
Dat de sterkste deuren beven
Laat de tranen hun loop
En daarbij
Laat steeds in uw koren
De verdiensten van uw Bach horen.
Ach dat de beklemde borst
Lucht tot haar klagen hadde
Klaagt broeders om het hardst,
En beweent het verlies.


De verheerlijkte
vertelling

Weent niet gij vrienden en gij kenners
Ei, gunt mij toch mijn geluk.
Weent niet gij broeders en gij beschermers:
Waagt slecht omhoog uw blik.
O kond' gij de zoete tonen horen
Die ons koor tot Godes lof aanheft,
O kond' gij het musiceren horen
Dat hier geen einde neemt!
O kond' gij de kunsten leren
Die mijn ziel reeds heeft geleerd
Nu zij hier verkeert!
Zij snelde met snelle vleugelen
Naar deze heerlijke heuvelen
Zij verlangde mijn Muzen-geluk
Roept haar toch niet meer terug.
Dus weest getroost
En volg mij. Wat men aan mij heeft verloren
Dat kan men hier veel beter horen
Niets, niets is deze zangers gelijk
Dus weest getroost.

 

Het koor.

Gij burgers des Hemels, ontvangt nu met vreugde,
De broeder die onze kunst heeft gesierd:
En laat ons met innigst verenigde koren
De Hoogste prijs, eer en heerlijkheid brengen.
Wie hoopt en gelooft, dringt in de Hemel door
En prijst God verzaligd in het engelenkoor.
Daarom: Christus, helpt ons te doen, wat ons heden betaamt
Opdat wij ook van hier in uw Genade scheiden
   Gij burgers des Hemels.....



Commentaar.

Literatuur.

OPMERKING:

Wat betreft de tekst van de necrologie van Bach: die is geschreven door Carl Philipp Emanuel Bach en Johann Friedrich Agricola, leerling van Bach en hofcomponist in Berlijn. Uit een brief van Carl Philipp Emanuel Bach aan Johann Forkel (de schrijver van de eerste Bach-biografie) van 13 januari 1775 blijkt dat de tekst, althans goeddeels, van zijn hand is: "Meines seeligen Vaters Lebenslauf im Mizler, liebster Freund, ist vom seeligen Agricola u. mir in Berlin zusamgestoppelt worden u. Mizler hat blos das, was von den Worten: "In die Societät" angehet, bis ans Ende, dazu gesetzt. Es ist nicht viel wehrt. Der seelige war, wie ich u. alle eigentlichen musici, kein Liebhaber, von trock- nem, mathematischen Zeuge". (Schulze, 1972, 288). Ik heb die toegevoegde alinea wat apart gezet (D.W.)

Ondanks het "zusamgestoppelt" en het "Es ist nicht viel wehrt" blijkt uit de rest van de brief duidelijk dat Carl Philipp veel zorg aan de tekst heeft gespendeerd. Dit maakt de tekst tot een eersterangs bron over Bachs leven, al doen veel biografen vaak wat schamper over de verhalen over het nachtelijk overschrijven van muziek en de wedstrijd met Marchand. Leuk ook dat Carl Philipp aandacht besteedt aan Bach's gebruik van de duimen bij het klavierspel. Later zal hij zelf daar uitvoerig op ingaan in zijn eigen Versuch über die wahre Art das Clavier zu spielen, dat zoals bekend zeer veel van de ideeën van zijn vader verwerkt.

 

 

 


(vertaling: Gerard van der Leeuw / de Rode Leeuw Pers, Zwolle-Amsterdam, 1992 / kleine aanpassingen dw)

 


Dick Wursten (dick @ wursten.be)