signature

Home ] [ cantates ] [ varia ] [ biografie ]

In een driedelige Bijbel (Luthers vertaling met commentaar van de hand van Abraham Calov, 1681, door Bach verworven in 1733) staan notities in Bach's eigen handschrift. Bij de boeken der Kronieken gaat het drie keer over de betekenis van muziek. Een weergave met wat duiding.

J.S. Bach,
Calovia nr. [1] [2] 3

bij het tweede boek der Kronieken, hoofdstuk 5, vers 12-13

NB. Bey einer andächtig Musig (of: andächtigen Musique?) ist allezeit Gott mit seiner Gnaden⸗Gegenwart

NB. Waar op eerbiedige wijze gemusiceerd wordt, is God altijd met zijn genade tegenwoordig.
-
Het Duitse woord 'andächtig' heeft twee betekenisvelden. (1) devoot ['eine Andacht' = gebedsviering]  (2) aandachtig, attent, geconcentreerd. Mijn keuze voor 'op eerbiedige wijze' wil beide accenten verdisconteren, hoewel voor Bach waarschijnlijk de hoofdbetekenis 'devoot' is geweest.
- Er is discussie of er na 'Gnaden' een afbreekstreepje staat (in het Duits een dubbele hyphen: ⸗).

Kijk zelf maar, ik denk van wel: Gnaden-gegenwart. Is dat van belang? Ja, want dat is een zwaarbeladen theologische term verwijzend naar de bijzondere presentie van God in zijn Zoon: de Redder, Verlosser (m.n. sacramenteel). Dan zou het dus betekenen: bij goede muziek is Christus zelf aanwezig. NB: "Gegenwart' = zelfstandig naamwoord, geen bijwoord (zoals ik het gemakshalve vertaald heb) - dat zou immers 'gegenwärtig' zijn. Met verbindingsstreepje is de uitspraak dus sterker. De muziek krijgt dan sacramentele kracht.

 

TOELICHTING
Boven de passage in kwestie (2 Kronieken 5,12-13) zet Calov als tussentitel: 'Wie auff die schöne Music die Herrlichkeit des Herrn erschienen sey": m>Hoe in mooie muziek de heerlijkheid des Heren verschenen is.
Dit is het slot van het verhaal van de tempelwijding onder Salomo. De chronist borduurt duidelijk voort op het verhaal uit 1 Kronieken 15-16, waar David met muziek en dans de ark naar Jeruzalem haalde. Dezelfde mythische musici en hun zangers zijn present. De priesters hebben zopas de ark in het 'Heilige der heiligen' opgesteld, en maken zich op om weer naar buiten te komen. God heeft 'plaats' genomen in zijn huis. Buiten worden ze opgewacht door een grote groep musici, zowel zangers als instrumentalisten (degenen die door David hiertoe reeds waren aangeduid in hoofdstuk 25 -zie Calovia 1). Terwijl zij muziek maken verschijnt de 'wolk' (teken van Gods aanwezigheid ('Gnadengegenwart') in de tempel. Alles samen wil dit dus niet meer of minder zeggen dan dat in hun musiceren God net zo aanwezig is als op/bij het altaar in het heiligdom zelf.

... alle Levitische zangers, te weten Asaf, Heman, Jeduthun en hun zonen en broers, waren gekleed in fijn linnen en stonden met hun cimbalen, harpen en cithers aan de oostkant van het altaar, en bij hen stonden ook nog eens hondervijfentwintig priesters met trompetten - Precies op dat moment dat dat de priesters naar buiten kwamen, moesten de blazers en zangers samen (Luther vertaalt: alsof het één trompet en één stem was) muziek ten gehore brengen ter ere van de Heer. Zodra het geluid van de trompetten, cimbalen en andere instrumenten opklonk en de zangers de lofzang aanhieven: ‘De Heer is goed, eeuwig duurt zijn trouw’, vulde de tempel, het huis van de HEER, zich met een wolk.

Wie nu Bach's aantekening leest, begrijpt hoe Bach zijn eigen musiceren in de eredienst heeft beleefd (of proberen te beleven). Helemaal in de lijn van de Lutherse theologie over de drievoudige presentie van Christus in de eredienst: in het Woord, Sacrament en de Muziek (Gnaden-Gegenwart). Het liturgisch centrum in een aantal echt Lutherse kerken heeft dan ook drie gelijkwaardige objecten: kansel, altaar, en orgel (= pars pro toto wat muziekinstrumenten vocaliter & instrumentaliter betreft).

(Calov 2) vorige | volgende

Home ] [ cantates ] [ varia ] [ biografie ]
 

Dick Wursten (dick@wursten.be)