Handtekening van Johann Sebastian Bach

Opkomst en ondergang van de Stübel-hypothese

Wie schreef de libretti van Bachs koraalcantates (1724/25)?
Samenvatting van het betoog van Thomas Braatz, ‘The Stübel Theory’ (bach-cantatas.com, april 2007), met aanvullingen en correcties — Dick Wursten.

Het wetenschappelijke antwoord op de vraag luidt: we weten het niet. Toch circuleert sinds 2000 een naam: Andreas Stübel. Braatz reconstrueert hoe die naam in de literatuur terecht is gekomen, en hoe hij er weer uit verdween — zonder dat de buitenwereld dat opmerkte.

1. Andreas Stübel (1653–1725)

Geboren in Dresden, Latijnse school aldaar, vanaf 1668 de Fürstenschule in Meißen, vanaf 1673 met een keurvorstelijke beurs de universiteit van Leipzig (baccalaureaat 1674, magister in de filosofie 1676). Na zes jaar privéonderwijs in Weißenfels, Meißen en Dresden werd hij in 1682 leraar aan de Nikolaischule, in 1684 conrector van de Thomasschule. Die functie bekleedde hij dertien jaar, tot hij in 1697 met vervroegd pensioen werd gestuurd wegens zijn wunderliche theologische Ansichten. De school bleef zijn gezin (zeven kinderen) financieel steunen tot zijn dood op 31 januari 1725.

Zijn gedrukte werk bestaat uit verhandelingen, strijdschriften en schoolboeken, grotendeels over het Latijn: Latinismus in nuce (1703), Novum Vocabularium Lipsiense (1703), en twee door hem bezorgde edities van Fabers Thesaurus eruditionis scholasticae (1710, 1717), waaraan hij een uitvoerige index toevoegde. Theologisch was hij chiliast en een bedrijvig polemist: in Antipietismi larva detracta (1698) verdedigde hij de piëtisten tegen Friedrich Christian Bücher, in de Lectio monitoria ad Dn. M. A. Ch. Rothium (1698, oplage geconfisqueerd) de verlichtingsfilosoof Christian Thomasius tegen Albert Christian Rotth. Gedichten zijn er niet van hem bekend.

2. Het argument van Schulze (1998)

Hans-Joachim Schulze formuleerde de hypothese in Die Welt der Bach-Kantaten III. Zijn redenering verloopt in vijf stappen:

  1. De gestage stroom koraalcantates breekt na 25 maart 1725 af; de laatste is BWV 1, Wie schön leuchtet der Morgenstern, uitgevoerd op Maria-Boodschap.
  2. Bach liet de cantateteksten vooraf drukken, in boekjes die telkens meerdere zondagen bestreken. De uiterste inleverdatum bij de drukker voor het boekje waarin BWV 1 stond, berekent Schulze op zaterdag 27 januari 1725 (de zaterdag vóór Septuagesima).
  3. Is er rond die datum iemand in Leipzig weggegaan, ernstig ziek geworden of gestorven? Schulze doorzoekt daarvoor de Leipzigse annalen van Sicul (1722–1725).
  4. Hij vindt één treffer: Andreas Stübel, gestorven op 31 januari 1725 na een ziekbed van drie dagen — precies binnen het gezochte tijdvenster.
  5. Stübel past bovendien bij het profiel: theologisch geschoold en ervaren in het schrijven van verzen.

Schulze noemt zelf de zwakke plekken. Stübel was uit zijn ambt gezet wegens sektarische opvattingen — volgens Schulze een terecht bezwaar tegen zijn eigen hypothese. En op 71-jarige leeftijd is de soepelheid twijfelachtig om de wijzigingen aan te brengen die Bach bij elk libretto ongetwijfeld voorstelde. Even eerder had Schulze nog geschreven dat we simpelweg niet weten wie Bach in deze jaren van teksten voorzag: geestelijken, studenten, of zelfs oudere leerlingen van de Thomasschule komen in aanmerking.

Twee onderdelen van stap 5 rusten niet op documenten maar op waarschijnlijkheid. Van een theologische graad is geen spoor; wat Braatz overweegt is dat Stübel zijn kennis van de lutherse leer op dezelfde wijze heeft moeten aantonen als Bach bij zijn sollicitatie in Leipzig. En ‘ervaring met verzen’ betekent hier niet meer dan wat het curriculum meebracht: het ineensteken van een correct rijmend vers, zeker in het Latijn, werd van iedereen met een academische opleiding verwacht.

3. Hoe de voorbehouden wegvielen

Martin Petzoldt vindt de hypothese in hetzelfde boek aantrekkelijk. Hij voegt eraan toe dat Stübel op 44-jarige leeftijd werd weggestuurd ‘wegens zijn sympathieën voor het piëtisme’. Dat klopt niet: hij werd geschorst om zijn schwärmerisch-chiliastisch gedrag in 1697; de verdediging van het piëtisme werd hem evenmin in dank afgenomen, maar was niet het eigenlijke punt. Merkwaardig genoeg werkt Petzoldts eigen tekstkarakteristiek tegen de hypothese in: de koraalcantateteksten ademen volgens hem die Frömmigkeit der späten altprotestantischen Orthodoxie, ohne pietistisch zu sein.

Martin Geck blijft sceptisch en stelt de zaak vragenderwijs: is deze oud-conrector, uit zijn ambt gezet wegens chiliastische opvattingen, werkelijk Bachs tekstdichter? Hij tekent aan dat het hele bouwwerk rust op één samenval van data.

Christoph Wolff geeft de hypothese de wind in de zeilen, in zijn Bach-biografie (2000) en vrijwel gelijktijdig in de toelichting bij Ton Koopmans cantate-opnamen (2001). In de biografie is Stübel de meest waarschijnlijke kandidaat, omdat hij conrector emeritus was, een man met een solide theologische achtergrond (zij het met wat non-conformistische opvattingen) en met ruime poëtische ervaring. In de liner notes heet hij very likely to have been de auteur, en levert de sterfdatum overtuigend bewijs om Stübel als de waarschijnlijke auteur van de koraalcantateteksten aan te wijzen.

Daarmee is de omslag voltrokken. Wat Schulze aandroeg als een hypothese mét bezwaren, wordt bij Wolff een eigenschappenlijst; de bezwaren verdwijnen, en ‘ervaring met verzen’ is ‘volleerd dichter’ geworden. De laatste stap zetten recensenten, programmaboekjes en internetencyclopedieën. De Nederlandse Wikipedia schreef tot 6 maart 2024 dat Bach kon rekenen op het dichtwerk van een uitstekende Leipzigse librettist, emeritus conrector Andreas Stübel — zonder enig voorbehoud.

4. Wat er van het bewijs overblijft

Streep weg wat niet gedocumenteerd is, en er blijft één ding over: de samenval van Stübels sterfdatum met de berekende inleverdatum bij de drukker. De theologische scholing is aannemelijk maar onbewezen; het dichterschap is niet alleen onbewezen maar onwaarschijnlijk, want van een man van wie tientallen verhandelingen en boeken bekend zijn, is geen enkel gedicht overgeleverd. Eén coïncidentie is te weinig om iemand ‘de waarschijnlijke auteur’ te noemen.

5. Het stilzwijgende einde

De doodsklok werd geluid door de auteur van de hypothese zelf. In zijn omvangrijke boek over de Bach-cantates (2006) noemt Schulze op 760 bladzijden Andreas Stübel geen enkele keer. Dat is veelzeggend, want hij bespreekt daarin van elke cantate de tekst en de verhouding tussen tekst en muziek: als er een plaats was om de hypothese te vermelden, dan daar. In plaats daarvan leest men telkens over een onbekende, anonieme librettist. Bij BWV 1:

Unbekannt ist, wer die sieben Choralstrophen Nicolais in ein sechssätziges Kantatenlibretto umgewandelt hat.
(Onbekend is wie Nicolais zeven koraalstrofen heeft omgewerkt tot een cantatelibretto in zes delen.)

En over het afbreken van de cyclus schrijft Schulze op dezelfde bladzijden dat tot op heden niet is kunnen worden achterhaald wat Bach ertoe bewoog de onderneming — die duidelijk op een volledige jaargang was gericht — in het laatste kwart op te geven. Precies datgene dus wat de Stübel-hypothese heette te verklaren. Hetzelfde geldt voor Petzoldt: in zijn tekstanalyses in de Bach-Kommentar komt Stübel niet meer voor.

6. Conclusie

Er werd een hypothese naar voren gebracht, aanvankelijk met uitdrukkelijke voorbehouden die op haar zwaktes wezen. De reacties waren gemengd: sommigen schoorden haar met even onbewijsbare suggesties, anderen legden de zwakke plekken bloot. Ondanks de zorgvuldigheid van de betrokken specialisten — de auteur van de hypothese incluis — kreeg zij toch de aura van een feit, en dat vooral in de tweede en derde lijn: bij recensenten, programmaboekjes en encyclopedieën, waar zij zonder voorbehoud als vaststaand werd doorgegeven. Toen de vakwetenschap haar stilzwijgend liet vallen, ging dat aan diezelfde tweede lijn voorbij.

Bronnen

Deze pagina is een samenvatting, geen vertaling. Het betoog en de vondsten zijn van Thomas Braatz (© 2007), die het oorspronkelijke artikel vrijgaf voor verspreiding mits volledig en met behoud van zijn copyrightvermelding; de integrale tekst staat op bach-cantatas.com. De indeling, de inkortingen, de correcties bij Petzoldt en het terzijde zijn van Dick Wursten.

Dick Wursten (dick@wursten.be)