Handtekening van Johann Sebastian Bach

De paradox van het leren

Luther over Psalm 117, geciteerd door Calov in de voorrede van de bijbel die Bach bezat.

‘De onwetenden menen dat ze alles al weten, terwijl de wijzen beseffen dat ze nog veel te leren hebben.’

Luthers uitleg van Psalm 117 begint met een inleiding waarin hij laat merken zich terdege bewust te zijn van de paradox van het leren: wie niets weet, meent alles te weten; wie wijs is, weet hoeveel hem nog ontgaat.

Deze passage wordt geciteerd door Abraham Calov in zijn voorrede bij de Deutsche Bibel — het bijbelcommentaar dat ook J.S. Bach bezat. Calov citeert de Altenburgse uitgave van Luthers werken (deel V, 1562, p. 252).

Psalm 117

Lobet den HERRN alle Heiden
Preiset ihn alle Völcker.
Denn seine Güte und Trew
Waltet über uns ewiglich. Halelu Ja.

De uitgave van 1530 in facsimile

Hieronder links de tekst uit de uitgave van 1562 — dezelfde tekst, maar met gemoderniseerde spelling. Verder op deze pagina de eerste druk van deze lezing of preek: Der Hundert vnd siebenzehende Psalm. Ausgeleget dur D. Mart. Luther im M.D.XXX. Jar (Coburg, 1530).

De tekst, Duits en Nederlands

Luther 1562 (Altenburg)

Das ist ein kurzer und leichter Psalm / ohn Zweiffel darumb so gemacht / daß ein jeglicher desto fleissiger solt darauff mercken / und desto baß behalten / was er saget / daß nicht jemand dürfft klagen über die Lenge / oder Menge / viel weniger über die Scherpffe / Höhe / oder Tieffe der Wort. Denn es sind je kurze / feine / helle / gemeine Wort / die ein jeglicher verstehen kan / wo er nur darauff mercken / und nachdencken wil.

Denn dasselbige wollen alle Gottes Wort haben / daß man nicht so überhin lauffe / und lasse sich düncken / man habe sie zu Grund rein aus verstanden. Wie die leichtfertigen / sattsamen / überdrüssigen Geister thun / wenn sie ein Wort Gottes einmal gehöret haben / so muß ein alt Ding seyn / und gaffen auff etwas newes / als köndten sie alles und alles, was sie gehöret haben. Welches gar eine fehrliche Plage / und böse heimliche List des Teuffels ist / der damit die Leute furchtloß / sicher / fürwitzig / und zu allerley Irrthumb und Rotterey geschickt und bereit hat / und ist eigentlich das Laster / so man Acedia heisset.1 Darwider S. Paulus gebeut / Rom. 12. Daß man sol brünstig im Geist seyn. Und Apocal. am 3. spricht der Geist von solchen / Ah / daß du kalt oder warm werest / weil du aber law bist / weder kalt noch warm / werde ich dich aus meinem Munde speien.

Denn es ist auch wahr / daß solche halbgelahrte Leute die unnützesten Leute auff Erden sind / und were ihnen viel besser / daß sie gar nichts könten / denn sie gehorchen niemand nicht / könnens alles selbst besser / denn alle Welt / wissen zu urtheilen alle Kunst und Schrifft / und Summa / sie können niemand etwas rechtschaffens lehren, und lassen sich auch von niemand lehren / die haben den Schulsack gefressen / der leidet keinen Meister / und haben doch kein Buch drinnen / daß sie andere könten recht unterweisen. Solcher heilloser Leute hat der Teuffel jetzt sonderlich viel unter den Rotten / da kein Sudeler nicht ist / so er eine Predigt gehöret / oder ein Deutsch Capitel lesen kann / so machet er sich selbst zum Doctor / und krönet seinen Esel / beredet sich selbst fein / er könne es nun alles besser / denn alle die ihn lehren / Meister Klügel heisset man dieselbigen die das Roß am Schwanz können zeumen. Solches alles (sage ich) kömpt daher / daß man GOttes Wort so leichtfertig lieset oder höret / und nicht mit Furcht / Demuth / und Fleiß darauff mercket.

Ich habe solchen Teuffel und Anfechtung bey mir selbst offt gefühlet / und kan mich noch heutiges Tages kaum genugsam darfür hüten / und segnen / bekenne das frey zum Exempel / wem es gefället, der ich nun fast ein alter Doctor und Prediger bin / und freylich so viel kan / eben ja können solt in der Schrifft / als alle solche Kluglinge können: Noch muß ich zum Kinde werden / und täglich des Morgens frühe bey mir selbst daher mündlich zehlen die zehen Gebot / den Glauben / das Vater Unser / und was ich für liebe Psalmen und Sprüche haben wil / allerding / wie man jetzt die Kinder lehret und gewehnet / wiewol ich sonst über das täglich mit der Schrifft muß ümbgehen / und mit dem Teuffel im Kampff stehen?

Noch darff ich nicht sagen in meinem Hertzen / das Vater Unser ist alt / du kanst die zehen Gebot / du weist den Glauben wol / etc. sondern lerne täglich daran / und bleibe des Catechismus Schüler / fühle auch / daß mich es mercklich hilfft / und befinde mit der Erfahrung / daß Gottes Wort nicht außzulernen ist / sondern ist eigentlich wahr / das der 147. Psalm davon sagt / seines Verstandes ist kein Zahl. Und der weise Mann / wer von mir trincket / den dürstet immer nach mir / etc. (Ps. 147:5; Syr. 24:29). So mirs nun so gehet / was solts denn mit den sichern / sattsamen Dünckelmeistern thun / die weder kämpffen noch handeln.

Nederlandse vertaling

Dit is een korte, eenvoudige psalm — ongetwijfeld met opzet zo gemaakt, opdat een ieder er des te aandachtiger op zou letten en des te beter zou onthouden wat er wordt gezegd. Niemand kan hier klagen over de lengte of over de hoeveelheid woorden, en al helemaal niet over de scherpte, de hoogte of de diepte ervan. Het zijn immers korte, heldere, gewone woorden, die iedereen kan verstaan — als hij er maar bij stil wil staan en erover nadenken.

Dat laatste vraagt trouwens elk woord van God: dat men er niet lichtvaardig overheen loopt en zichzelf wijsmaakt het tot op de bodem te hebben verstaan. Zo doen de lichtvaardige, zelfvoldane, vadsige geesten: hebben zij een woord van God eenmaal gehoord, dan moet het voor hen uit zijn — zij schuiven het als een oud ding aan de kant en gapen alweer naar iets nieuws, alsof ze alles wat ze gehoord hebben ook werkelijk ten volle hebben verstaan. Dat is niets anders dan een gevaarlijke bezoeking en een boze, heimelijke list van de duivel, die de mensen daarmee onbevreesd, zelfverzekerd en brutaal maakt, en bereid tot allerlei dwaling en partijschap. Het is eigenlijk de zonde die men acedia noemt: laksheid tegenover de dienst van God.1 Daartegen gebiedt Paulus in Romeinen 12 dat men vurig van geest moet zijn, en in Openbaring 3 zegt de Geest van zulke mensen: Och, was je maar koud of warm; maar omdat je lauw bent, noch koud noch warm, zal Ik je uit mijn mond spuwen.

Het is namelijk waar dat zulke halfgeleerden de nutteloosste mensen op aarde zijn, en dat het voor hen veel beter zou zijn als ze helemaal niets wisten. Want ze luisteren naar niemand, weten alles zelf beter dan wie ook ter wereld, en matigen zich een oordeel aan over alle kunst en alle geschriften. Kortom: zij kunnen niemand iets behoorlijks leren, en laten zich door niemand iets leren. Zij hebben de schooltas verslonden, en die duldt geen meester boven zich — maar er zit geen boek in waaruit ze anderen werkelijk zouden kunnen onderwijzen. Van zulke heilloze lieden heeft de duivel er tegenwoordig bijzonder veel onder de partijen. De eerste de beste prutser die een preek heeft gehoord of een Duits hoofdstuk kan lezen, maakt zichzelf tot doctor en kroont zijn ezel; hij praat zichzelf aan dat hij het nu allemaal beter weet dan allen die hem onderwezen. Meester Wijsneus noemt men zulke lieden: ze denken een paard bij de staart te kunnen mennen. Dat alles, zeg ik, komt doordat men Gods Woord zo lichtvaardig leest of hoort, en er niet met vrees, ootmoed en vlijt op let.

Zulke duivelse aanvechting heb ik bij mijzelf dikwijls gevoeld, en ik kan mij er tot op de dag van vandaag nauwelijks voldoende voor hoeden. Ik beken dat vrijuit, als voorbeeld voor wie het horen wil. Want zie: ik ben nu zowat een oude doctor en prediker, en ik kan — of behoor althans te kunnen — evenveel in de Schrift als al die betweters. En toch moet ik als een kind worden en elke dag vroeg in de morgen voor mijzelf de Tien Geboden opzeggen, de geloofsbelijdenis, het Onze Vader, en welke geliefde psalmen en spreuken ik verder maar wil — precies zoals men het de kinderen tegenwoordig leert en aanleert. En dat terwijl ik daarbuiten dagelijks met de Schrift moet omgaan en met de duivel in gevecht sta.

Toch mag ik in mijn hart nooit zeggen: het Onze Vader is oud, je kent de Tien Geboden wel, je weet de geloofsbelijdenis, enzovoort. Nee — ik leer er dagelijks aan en blijf een leerling van de catechismus. Ik merk ook dat het me merkbaar helpt, en ik stel uit ervaring vast dat men met Gods Woord nooit uitgeleerd raakt. Het is eigenlijk waar wat Psalm 147 daarover zegt: zijn verstand is niet te tellen. En de wijze man zegt: wie van mij drinkt, dorst altijd meer naar mij (Ps. 147:5; Sir. 24:29). Als het mij zo vergaat, hoe moet het dan wel gaan met die zelfverzekerde, zelfgenoegzame wijsneuzen, die noch strijden noch iets tot stand brengen?

De eerste druk, 1530

Titelpagina van Der Hundert vnd siebenzehende Psalm, Coburg 1530
De eerste druk, Coburg 1530. Klik om te vergroten.

Dezelfde tekst in de spelling van de eerste druk. Wie de twee kolommen hierboven naast deze tekst legt, ziet hoe de uitgave van 1562 de spelling moderniseerde — en op een enkele plaats ook het woord.

Das ist ein kurzer leichter Psalm / ohn zweivel dar umb so gemacht / das ein iglicher deste vleissiger solt drauff mercken und deste baß behalten / was er sagt / das nicht yemand durfft klagen vber die lenge odder menge / viel weniger vber die scherffe hohe odder tieffe der wort / Denn es sindt yha kurtze / feine, helle / gemeine wort / die ein iglicher verstehen kan wo er nur drauff mercken und nach dencken will /

Denn dasselbige wollen alle Gottes wort haben / das man nicht so vber hin lauffe, und lasse sich dencken man habe sie zu grund rein aus verstanden / wie die leichtfertigen, satsamen / vberdrussigen geister thun / Wenn sie ein wort Gottes ein mal gehöret haben so mus ein alt ding sein / vnd gaffen auff etwas newes / als kündten sie alles vnd alles was sie gehöret haben / Welchs gar eine ferliche plage und böse heimliche list des Teuffels ist der damit die Leute, furchtlos / sicher / furwitzig / und allerley yrthum vnd rotterey geschickt und bereit hat / Und ist eygentlich / das laster so man Acedia heyst / tragheit zu Gottesdienst / Da widder S. Paulus gebeut Roma. 12. das man sol brünstig ym geist sein / Und Apoc. 3. spricht der geist von solchen / Ach, das du kalt oder warm werest, Weil du aber law bist / wedder kalt noch warm, so werde ich dich aus meinem munde speyen /

Denn es ist auch war das solche halb gelerte leute die unnützesten leute auff erden sind / Vnd were yhn viel besser das sie gar nichts kündten / Denn sie gehorchen niemand nicht / konnens alles selbs besser denn alle welt / wissen zu vrteiln alle kunst und schrifft / Und summa / Sie konnen niemand etwas rechtschaffens leren und lassen sich auch von niemand leren / sie haben den schulsack gefressen / der leidet keinen meister / vnd haben doch kein Buch drinnen / das sie andere kondten recht unterweisen / Solcher heiloser leute hat der Teuffel itzt sonderlich viel vnter den rotten da kein suddeler (prutser) nicht ist so er eine predig horet / oder ein deudsch capittel lesen kan / so macht er sich selbs zum Doctor vnd kronet seinen Esel / beredet sich selbs fein / er kunde es nu alles besser / denn alle die yhn leren / Meister klügel heist man die selbigen die das Ross am schwantz konnen zeymen / Solchs alles (sage ich) kompt daher das man Gottes wort / so leichtfertig lieset oder höret und nicht mit forcht / demüt vnd vleis drauff merckt.

Ich hab solchen Teuffel vnd anfechtung bey mir selbs offt gefulet / vnd kan mich noch heutiges tages kaum gnugsam dafur hueten vnd segenen / bekenne das frey zum exempel / wem es gefellet / der ich nu fast ein alter Doctor vnd prediger bin / vnd freylich so viel kan oder yha können solt ynn der schrifft / als alle solche kluglinge konnen / noch mus ich zum kinde werden / vnd teglich des morgens frwe bey mir selbs / daher mündlich zelen das vater vnser / die zehen gebot / den glauben / vnd was ich fur liebe Psalmen und spruche haben wil aller ding wie man itzt die kinder leret vnd gewehenet / wie wol ich sonst vber das / teglich mit der schrift mus vmbgehen / vnd mit dem Teuffel ym kampff stehen / Noch darff ich nicht sagen ynn meinem Hertzen / Das vater vnser ist allt du kanst die zehen gebot / du weist den glauben wol / etc. Sondern ich lerne teglich dran / vnd bleibe des Cathecismi schüler / Füle auch das michs mercklich hilfft / vnd befinde mit der erfarung / das Gottes wort nicht auss zu lernen ist / Sondern ist eygentlich war / das der Cxlvij. Psalm davon sagt / Seines verstandes ist keine zal / vnd der Weise man / Wer mich drinckt / den durstet noch mehr nach mir etc. So mirs nu so gehet / was solts denn mit den sichern / satsamen / dunckel meistern thun / die weder kempffen noch handeln?

  1. In margine: Acedia — Trägheit zu Gottes Wort (Rom. 12:11; Openb. 3:15-16).

An English version of this page is at bach-studies.wursten.be.