„Fait pour les Anglois”
Hoe de Engelse suites aan hun naam kwamen — een hypothese van Bernd Koska
Bach heeft zijn de zes klaviersonates BWV 806–811 nooit als „Engels” betiteld. Die naam is er achteraf opgeplakt, maar —anders dan bij de Brandenburgse concerten (een 19de eeuwse vondst)— gaat die benaming wel degelijk tot mensen uit Bachs eigen omgeving. Wie de Engelsman was, of wat het 'engelse' aan deze sonates dan was, is nooit opgehelderd. Bernd Koska heeft echter een kandidaat. Zijn redenering is een keten van op zichzelf goed gedocumenteerde schakels, met daartussen stappen/verbindingen die hypothetisch blijven. Juist dat maakt het de moeite waard, want de lezer kan zelf de 'kracht' van de argumentatieve keten wegen.
Het opschrift
Het spoor begint bij een handschrift in de Staatsbibliothek zu Berlin, N. Mus. ms. 365. Het is een afschrift van de suitenverzameling van de hand van de Thomaner Johann Nathanael Bammler, uit de jaren 1740. Op de titelpagina staat, in een andere hand dan die van de kopiist, de toevoeging (in slecht Frans!) Fait pour les Anglois. Wie die toevoeging schreef staat niet vast; de meest genoemde kandidaat is Bachs zoon Johann Christian, wiens naam op het blad ook in Franse vorm (Jean-Chrétien) verschijnt. Bach digital (waar de kopie te vinden is) houdt het voorzichtiger op de hand van een Bach-kopiist.
De tweede aanwijzing is de omschrijving die J.N. Forkel in 1802 van dit werk geeft. Forkel had zijn inlichtingen doorgaans van Carl Philipp Emanuel en/of Wilhelm Friedemann, en meldt dat de suites voor een "voorname Engelsman" (für einen vornehmen Engländer) gemaakt zouden zijn. Twee sporen dus, allebei uit het milieu van Bach, maar allebei ook nogal vaag. Daar is het onderzoek lang blijven staan.
Een omweg via Hamburg
Koska benadert de vraag van een andere kant: via een tot dusver verwaarloosde Bach-leerling. Hinrich Conrad Kreising (gest. 1771). Deze is organist geworden van de Engelse kerk in Hamburg. Die kerk behoorde aan de Merchant Adventurers, het gezelschap Engelse lakenhandelaren dat sinds het begin van de zeventiende eeuw in de Hanzestad geprivilegieerd was. Tegen Bachs tijd was het gekrompen tot een gesloten, standsbewuste kring die haar hoogtepunt achter zich had: men verkeerde onder gelijken en eiste erkenning waar het bij de burgerij niet meer vanzelf sprak.
Mattheson, niet als musicoloog, maar als secretaris van de Engelse gezant
Hier komt Johann Mattheson het verhaal binnen, in een hoedanigheid die door zijn faam als muziektheoreticus bijna altijd buiten beeld is gebleven. Mattheson was namelijk in hoofdberoep secretaris van de Engelse gezant in Hamburg. Hij was ook met een Engelse getrouwd, en hield in 1735 aantoonbaar toezicht op de bouw van een nieuw orgel in de Engelse kerk. In dit verhaal is hij geen toevallige getuige, maar de spil: hij verbindt de Engelse kolonie met het muziekleven van de stad, en hij is bovendien de bron voor wat Bach er in 1720 deed.
Cyrill Wich
De gezant voor wie Mattheson werkte was Cyrill Wich (1694–1756). Als jongen kreeg Wich klavierles van de Georg Friedrich Händel, toen nog die in Hamburg, en daarna van Mattheson zelf. Mattheson getuigt dat hij het als volwassene ver bracht: hij droeg hem een sonate voor twee klavecimbels op met de aanduiding gran Virtuoso, en overlevert de anekdote dat Wich aan het hof in Sint-Petersburg een half uur lang fantaseerde, tot verbazing van het hele hof, de keizerin inbegrepen.
Dat is een wezenlijk punt. De Engelse suites zijn geen dilettantenmuziek; ze vragen een speler die het aankan. Een kandidaat die alleen aan de sociale voorwaarde voldoet, volstaat niet.
Aan die sociale voorwaarde voldoet Wich intussen ruimschoots. Hij was ingetrouwd in een Sleeswijk-Holsteinse familie van politici, erfde landerijen in Engeland en in North en South Carolina, en werd in 1729 door George II tot baronet verheven. Forkels voornaam is daarmee geen loze beleefdheid meer.
November 1720
Bachs Hamburgse reis van november 1720 staat in de literatuur bekend om iets anders: zijn sollicitatie naar het organistenambt van de Jacobikirche, die hij weer introk. Koska suggereert dat die kandidatuur niet het hoofddoel was en de reis eerder als concerttournee was opgezet. De Nekrolog bericht trouwens met ongewone uitvoerigheid over het geruchtmakende optreden van de Köthense kapelmeester voor invloedrijke Hamburgse notabelen. En het is opnieuw Mattheson die overlevert dat Bach zich bij dat verblijf op de mooiste instrumenten van de stad heeft laten horen — meervoud.
Was het orgel van de Engelse kerk daarbij? Het Engelse Huis in de Groningerstraat lag pal naast de Katharinenkirche, waar Bach aantoonbaar heeft geconcerteerd. En het jaarlijkse feestmaal van de Merchant Adventurers viel op 7 november, tijdens Bachs verblijf. Beide gegevens bewijzen niets; samen maken ze een ontmoeting echter 'niet vergezocht'.
Het bezwaar, en het voorgestelde verloop
Koska noemt het voor de hand liggende tegenargument zelf. De eerste suite is overgeleverd in een afschrift van de Weimarse organist Johann Gottfried Walther en dateert dus van vóór 1718 — ruim voor de reis naar Hamburg. Bovendien wijst de afwijkende nummering in het vroegste afschrift, van Bernhard Christian Kayser, erop dat die eerste suite oorspronkelijk misschien niet bij de verzameling hoorde.
Precies dat wordt in Koska's reconstructie de sleutel. Bach speelde in november 1720 een al bestaande losse suite voor zijn Engelse gehoor; En die muziek viel zo in de smaak, dat 'men' (d.w.z. Wich) om meer van dat soort stukken vroeg; door zijn Köthense verplichtingen — de verjaardag van vorst Leopold op 10 december, nieuwjaar, de voltooiing van de Brandenburgse concerten in maart 1721 — kwam het er eerst niet van; en enige tijd later voegde hij vijf nieuwe suites bij de oude tot de bundel zoals wij die kennen.
Wat vaststaat en wat niet
De hypothese is de moeite waard, zolang we het onderscheid blijven
zien:
Vast staat: de dubbelfunctie van Mattheson,
Wichs opleiding bij Händel en Mattheson,
Wichs verheffing tot baronet, Bachs aanwezigheid in Hamburg in
november 1720, de datum van het feestmaal, Kreisings latere post aan de
Engelse kerk.
Conjectuur blijft: dat Bach in het Engelse Huis heeft
gespeeld, dat daar een opdracht uit voortkwam, en dat de bundel het
antwoord op die opdracht is.
Koska presenteert het ook als zodanig — als een denkbaar verloop, niet als bewijs. De bemaning 'Engelse Suites' blijft dus wat hij latere aanduiding. Maar voor het eerst heeft de voorname Engelsman van Forkel een mogelijk gezicht, en een adres.
Het zwaktse punt in de redening blijft echter, dat in geen enkel afschrift, er een spoor van een 'dedicatie' te vinden is, iets waaraan Bach in zijn andere manuscripten en drukwerken juist erg graag mee pronkte...
Dick Wursten
Naar Bernd Koska, „Fait pour les Anglois”. Wie die Englischen Suiten zu ihrem Namen kamen, in: bach magazin (Bach-Archiv Leipzig). De uitgewerkte versie met volledig notenapparaat verscheen in het Bach-Jahrbuch 2021. Voor de bronbeschrijving van N. Mus. ms. 365 en de vroege overlevering van BWV 806, zie Bach digital.