Bach, een canon en Mizler.
In 1747, drie jaar voor zijn dood, wordt Johann Sebastian Bach het veertiende
lid van de Correspondirenden Societät der musikalischen Wissenschaften,
opgericht door Lorenz Christoph Mizler von Kolof in 1739. Op het bekende
schilderij van E.G. Haussman dat Bach bij zijn intrede in de Sociëteit liet
schilderen, staat hij trots met een raadselcanon (BWV 1076) in zijn hand, die
hij de sociëteit bij die gelegenheid aanbood.
Wie was die Mizler en wat beoogde zijn Sociëteit?
Mizler is één van die ten onrechte vergeten figuren uit de 18de eeuw. Geboren in
1711, overleden in 1778. Eén van de grote schrijvers en denkers over muziek.
Bevriend met, en zeer belezen in Mattheson, die Mizlers autobiografie publiceert
in zijn Grundlage einer Ehren-Pforte, 1740. Mizler had nogal wat pijlen
op zijn boog. Hij was amateur componist, filosoof, fysicus, mathe- maticus,
theoloog en studeerde ook nog eens medicijnen. Mogelijk had hij enige tijd les
van J.S. Bach. Dat hij wel iets van contrapunt wist blijkt ook wel uit zijn
belangrijke vertaling van Fux' beroemde contrapuntleer Gradus ad Parnassum.
Mizler had een avontuurlijk leven. Op 13-jarige leeftijd ontmoet hij op het
Gymnasium in Ansbach Johann Gesner de latere rector van de Thomasschool in
Leipzig. Waarschijnlijk is het Gesner, die hem aanraadt om in Leipzig theologie
te gaan studeren. Hier zal hij beroemdheden als Gottsched (de letterkundige van
de Verlichting) en Christian Wolff (de filosoof van de Verlichting) ontmoeten.
Hij reist door heel Duitsland, studeert rechten en medicijnen in Wittenberg en
komt in 1736 aan de Leipziger universiteit. Hij geeft daar college's over....
Mattheson's Neu-eröffnete Orchestre, de eerste muziekcolleges aan een
Duitse universiteit sinds meer dan 150 jaar! Hij begint een eigen periodiek, de
Neu eröffenete musikalische Bibliothek, het officiële orgaan van de
Correspondirenden Societät der musikalischen Wissenschaften, begonnen in
1738, en in verval geraakt rond 1754. Hij had ook nog een muziekuitgeverij.
In 1743 vertrekt hij naar Polen en leert en passant Pools. Haalt zijn doctoraat
medicijnen in Erfurt en vertrekt naar Warschau, waar hij zich vooral met
natuurkunde bezighoudt. Ook in Warschau begint hij een uitgeverij. In 1768
krijgt hij een Poolse adelstitel.
Mizler's Musikalische Bibliothek is een uiterst belangrijke bron voor
onze kennis van het muziekleven in het Duitsland in de 18de eeuw (zie ook afb.
2). Daarnaast bespreekt Mizler uitgebreid theoretische geschriften van
Mattheson,, Gottsched,, Euler,, Schröter e.a. De correspondenten van de
Correspondierenden Societät voorzagen het periodiek ook regelmatig van
kopij. (In de necrologie wordt met zoveel woorden spijt geuit over het feit dat
Bach nooit iets op theoretisch gebied schreef). Onder die correspondenten, niet
meer dan 20, kom je een paar bekende namen tegen: Telemann, Handel, Stölzel,
C.H. Graun en Leopold Mozart (die waarschijnlijk voor de eer heeft bedankt).
De Sociëteit legde grote nadruk op het wetenschappelijke karakter van de muziek.
Mathematiek, rhetorica, filosofie en poëzie worden, nog geheel in de lijn van de
Middeleeuwse artes liberales als vergelijkbaar met de muziek behandeld.
Muziek als een soort geheimleer: "Blose practische Musik-verständige, können
deswegen in dieser Societät keinen Platz finden weil sie nicht im Stande sind,
etwas zur Aufnahme und Ausbesserung der Musik beyzutragen" heet het.
Niet voor niets leverde Bach als een soort meesterproef bij de Sociëteit zijn
uiterst hermetische koraalvariaties over Vom Himmel hoch da komm' ich her
(BWV 769) af.
In dit opzicht is de Sociëteit bepaald ouderwets en tegen de geest van de
Verlichting die danig begon te waaien. Kenmerkend dan ook, dat Mizler Bach een
aantal malen heeft verdedigd tegen de aanvallen van Johann Adolph Scheibe, een
typische representant van de Verlichting die o.a. over Bach (Critischer
Musikus, 1737) schreef: "Dieser grosse Mann würde die Bewunderung ganzer
Nationen seyn, wenn er mehr Annehmlichkeit hätte, und wenn er nicht seinen
Stücken, durch ein schwülstiges und verworrenenes Wesen das Natürliche entzöge
und ihre Schönheit durch allzugrosse Kunst verdunkelte". Commentaar van
Mizler: "Wenn aber Herr Bach manchmal die Mittelstimmen vollstimmiger setzet
als andere, so hat er sich nach den Zeiten der Musik vor 20 und 25 Jahren
gerichtet. Er kann es aber auch anders machen, wenn er will. (Schulze 1969,
336).
Anderzijds vertoont de Sociëteit wel degelijk ook moderne trekken. Mizler was
voor een streng methodische aanpak (hij verwijt Mattheson zonder methode te
werken), die hij baseert op, hoe kan het anders, de mathematica en de filosofie.
Zo schreef hij b.v. een Anfangs-Gründe des General-Basses nach mathematischer
Lehr-Art abgehandelt. Ook hield hij zich diepgaand bezig met de in die tijd
zeer in de belangstelling staande meer moderne stemmingen, schreef over de
gelijkzwevende stemming. En: Mizler leerde veel van Gottsched en Wolff. Ook hij
vindt dat muziek de natuur moet imiteren.
In 1754 publiceerde Mizler in zijn Musikalische Bibliothek oder Gründliche Nachricht nebst unpartheyischem Urtheil von alten und neuen Musikalischen Schriften und Büchern Band IV, teil 1 een drietal uitgebreide in memoria (necrologie) van gestorven leden van zijn Sociëteit: Bümler, Stölzel en J.S. Bach.
Literatuur.
-
L.C. Mizler (1736), Neu eröffnete musikalische Bibliothek (Leipzig 1736-1754)
-
J. Mattheson (1740) , Grundlage einer Ehren-Pforte (Hamburg 1740, repr. 1969)
-
J.A. Scheibe (1745), Der critische Musikus (Leipzig, 1745, repr: 1970)
-
J.N. Forkel (1802), Über Johann Sebastian Bachs Leben, Kunst und Kunstwerke (Leipzig, 1802, repr: 1968)
-
F. Wöhlke (1940), Lorenz Christoph Mizler: ein Beitrag zur musikalischen Gelehrtengeschichte des 18. Jahrhunderts (Würzburg, 1940)
-
H.J. Schulze (ed.) (1969), Fremdschriftliche und gedruckte Dokumente zur Lebensgeschichte Johann Sebastian Bachs 1685-1750 BD II (Leipzig 1969)
-
H.J. Schulze (1972), Dokumente zum Nachwirken Johann Sebastian Bachs 1750-1800 BD III (Kassel 1972)
