Bach in Arnstadt (1706)
Lübeck, kritiek op orgelspel, 'fremde Jungfer' — context in de biografie
In de winter van 1705-1706 valt Bach's studiereis naar Lübeck. Hij heeft hiervoor toestemming
gekregen van de Superintendent (de Hoogeerwaarde en zeergeleerde Heer Joh. Gottfried Olearius, op dat moment 80 jaar, in zijn
jeugd nog als lieddichter actief, cultureel en muzikaal onderlegd
(verwant aan prof. dr. Johann Olearius,
auteur van de Biblische Erklärung
of Hauptschlüssel,
een uitleg van de ganse bijbel die Bach later (?) ook blijkt te
bezitten). Vier weken
was afgesproken, ruim drie maanden blijft hij weg. Hij moet zich
verantwoorden. Logisch. De HoogEerwaarde Heer Superintendent is zelf aanwezig.
Bach komt eraf met een reprimande.
Dan krijgt
hij te horen dat men
zijn orgelspel niet altijd apprecieert: Zijn
orgelspel (NB: niet de begeleiding, want dat doet het
studentenkoor van de Latijnse school o.l.v. van een oudere
student (prefect)
brengt de mensen in de war.
Er zitten 'vreemde tonen' tussen, en zijn variationes zijn nogal 'curieus'.
Ik vermoed dat het over de voorspelen gaat, of een tussenspel (bijv. alternatim).
Beide deed men improviserend. Of ondersteunde de organist de homofoon
zingende zangers, terwijl hij tegelijk een tegenstem improviseerde,
of verrassend harmoniseerde? Ik weet het niet. NIemand weet het. De discussie over de tonus peregrinus
en tonus contrarius waarvan sprake zal tussen hem en Olearius geweest zijn (toelichting bij de
vertaling). Kern van
het verwijt is dat Bach onverwachte elementen in zijn harmonische en
melodische textuur inbouwde (doorgangstonen, korte cadensen,
chromatische progressies, dwarsstanden, plotselinge modulaties).
Ook
wordt hem gevraagd of hij wil meewerken met (leiding geven aan?) de
uitvoering van speciale muziek, hetzij choraliter hetzij
figuraliter: choraliter = op de gewone
zangwijze gebaseerde muziek (Choral is het Duitse woord voor
'Cantus planus', zangwijs), figuraliter =
polyfoon uitgewerkte muziek. In de hoofdkerk van Arnstadt was dat
standaard, in de Nieuwe Kerk niet. De samenwerking met de studenten
(= het koor van het locale lyceum, incl. eventuele
instrumentisten als daar al sprake van is) lukt blijkbaar niet erg. Het schijnt een zootje
ongeregeld te zijn geweest (zie het gesprek met Rambach hieronder (student/muziekprefect) en de
beruchte nachtelijke
vechtpartij met een student (Geyersbach) opent nieuwe pagina).
De schoolcantor leidde de muziek in de hoofdkerk. De zang in de Nieuwe
kerk was uitbesteed aan een student (koor-prefect).
Tenslotte is
er nog een klacht dat hij een juffrouw
heeft uitgenodigd op het koor en heeft laten mee-musiceren (Chor
kan zowel naar de locatie als naar de muzikanten
verwijzen). Dat mag niet ('de vrouw moet zwijgen in de vergadering
van gelovigen'). Bach repliceert dat hij toestemming hiervoor had gevraagd
en gekregen van de predikant van de Nieuwe Kerk (Pfr. Uthe)
The NEW BACH READER legt uit: Tonus contrarius is not a specific term. Even the word tonus may be taken to mean either tone or mode. It is clear only that the substance of the reproach is that Bach introduced unexpected elements into his harmonic and melodic texture, such as passing tones, short cadenzas, chromatic progressions, cross relations, and sudden modulations. The word musiciren, in the general usage of the time, meant to perform concerted music for voices and instruments.
