Het lijkt hier wel een opera in plaats van een kerk!
Christian Gerber (1660-1731), Historie der Kirchen-Ceremonien in Sachsen (1732), p. 283-284
In de passage over de rol van orgels en instrumentale muziek in de eredienst, komt Christian Gerber ook te spreken over de manier waarop men 'tegenwoordig' in de Duitse landen zelfs de ingetogen viering op Goede Vrijdag (of Palmzondag) met instrumenten opsiert. Onder de afbeelding de tekst (Duits) met vertaling (Nederlands). Daaronder een korte toelichting. Deze passage wordt vaak verbonden met Bach's passiemuziek in Leipzig, hoewel de tekst geen namen noemt.

Christian Gerber (1660-1731) pastor in Lockwitz, Historie der Kirchen-Ceremonien in Sachsen; Nach ihrer Beschaffenheit in möglichste Kürze mit Anführung vieler Moralien, und specialen Nachrichten verfasset. (Dresden/Leipzig: Raph. Chr. Saueretzig, 1732), p. 283-284 (uitgave is postuum bezorgd door de Christian Gottlob Gerber Beati Parentis Successor)
We vallen binnen in paragraaf 5. Hij heeft voordien aangegeven dat muziek natuurlijk een 'gave Gods' is en gewaardeerd moet worden, maar hij volgt de opvatting van Prof Dannhauer* (17de eeuw) die vond dat instrumentale en vocale muziek gescheiden moesten blijven (verstaanbaarheid). Alternatim dus. Hieroov heeft hij beschreven dat er veel excessen zijn, en dat hij van dezelfde Dannhauer heeft geleerd dat men in de 'religie van de moscovieten' (Oosters-Orthodoxe kerken) de muziek helemaal uit de kerk wil bannen...
Hoofdstuk 13: Von Orgeln und der Instrumental-Music
| § 5. Ob nun wol eine mäßige Music in der Kirche bleiben kan, zumal da sie der selige D. Dannhauer* vor eine Zierde des Gottesdienstes hält, dießfalls aber nicht bey allen Theologis Beyfall findet; so ist doch bekannt, daß sehr offt damit excediret wird, und man wol mit Mose sagen möchte: "Ihr machts zu viel, ihr Kinder Levi" (4. Mos. 16). Denn es klinget offt so gar weltlich und lustig, daß sich solche Music besser auf einen Tantz-Boden oder in eine Opera schickte, als zum Gottesdienste. | Toch kan muziek wel in de kerkdienst behouden blijven, maar dan 'met mate'. Dr. Dannhauer zaliger noemt de muziek niet voor niets een sieraad voor de eredienst, al vindt dit niet bij alle theologen instemming. Maar het is evident, dat men in dezen dikwijls overdrijft (te ver gaat). Men zou wel met Mozes willen zeggen: 'Gij maakt het te bont, gij zonen van Levi!' (Numeri 16). En het klinkt zelfs vaak werelds, en zo lustig, dat zulke muziek beter op een dansvloer of in een opera zou passen, dan in een kerkdienst. |
| Am allerwenigsten will sich die Music nach vieler frommer Hertzen Meynung zur Passion, wenn solche gesungen wird, schicken. Vor fünfzig und mehr Jahren war der Gebrauch, daß am Palm-Sonntage die Orgel in der Kirche schweigen muste, es ward auch an solchen Tage, weil nun die Char- oder Marter-Woche anfange, keine Music gemacht. Bisher aber hat man gar angefangen die Paßions-Historia, die sonst so fein de simplici & plano, schlecht und andächtig abgesungen wurde, mit vielerley Instrunenten auf das künstlichste zu musiciren, und bisweilen ein Gesetzgen aus einen Paßions-Liede einzumischen, da die gantze Gemeine mitsinget, alsdenn gehen die Instrumenten wieder mit Hauffen. | Volgens de mening van veel vrome harten past zulke muziek helemaal niet bij de Passie, als die gezongen wordt. Tot voor vijftig jaar en langer was het de gewoonte dat op Palmzondag het orgel in de kerk moest zwijgen; ook werd er op die dag, omdat dan de Goede Week of de Lijdensweek aanbrak, geen muziek gemaakt. Onlangs echter is men begonnen om zelfs de lijdensgeschiedenis — die voorheen zo fraai de simplici & plano [eenvoudig en rechttoe rechtaan], sober en devoot werd gezongen — met velerlei instrumenten op de meest kunstzinnige wijze te musiceren, en er soms een een kleine stukje uit een passielied doorheen te mengen dat door de hele gemeenschap wordt meegezongen, waarna dan de instrumenten weer in groten getale invallen. |
| Als in einer vornehmen Stadt diese Paßions-Music mit 12 Violinen, vielen Hautbois [Oboen], Fagots und anderen Instrumenten mehr, zum erstenmal gemacht ward, erstaunten viele Leute darüber und wußten nicht, was sie daraus machen sollten. Auf einer Adelichen Kirch-Stube waren viele Hohe Ministri und Adeliche Damen beysammen, die das erste Passions-Lied aus ihren Büchern mit großer Devotion sungen: Als nun diese theatralische Music angieng, so geriethen alle diese Personen in die größte Verwunderung, sahen einander an und sagten: Was soll daraus werden? Eine alte Adeliche Wittwe sagte: “Behüte Gott ihr Kinder! Ist es doch, als ob man in einer Opera-Komödie wäre.” – Aber alle hatten ein Mißfallen daran und führten gerechte Klage darüber.” | Toen in een voorname stad deze Passiemuziek met twaalf violen, veel hobo's, fagotten en nog andere instrumenten, voor de eerste keer werd uitgevoerd, waren veel mensen hoogst verbaasd en wisten niet wat ze ervan moesten denken. Op een adellijke kerkbank ('galerij') zaten vele hoge bewindslieden en adellijke dames bij elkaar. Zij hadden het eerste Passie-gezang uit hun zangboeken met vroom en zeer aandachtig gezongen. Toen echter deze theatrale muziek begon, raakten al deze personen in de grootste verwondering; zij keken elkaar aan en zeiden: 'Waar gaat dit eindigen?' Een oude adellijke weduwe zei: 'God beware ons kinderen! (idiomatisch: Lieve hemel! .. Och Here God, kinderkens toch) Het lijkt wel alsof we in een opera-komedie beland zijn!' — Allen waren misnoegd, en beklaagden zich er terecht over." |
| Es giebet aber freylich auch solche Gemüther, die an solchen eiteln Wesen einen Wohlgefallen haben, zu mal wenn ihr Temperament sanguinisch und zur Wollust geneigt ist. Diese defendieren denn die großen Kirchen-Musiquen auf das beste, als sie inmmer können, halten andere vor Grillen-Fänger und melancholische Geister oder Humoristen, gerade, als ob sie allein alle Weisheit Salomonis besässen, andere aber nichts verstünden... | Er zijn uiteraard ook mensen wier gemoed die in zo'n ijdel vertoon behagen schept, te meer als hun temperament sanguinisch is, en tot wellust neigt. Zij verdedigen dan ook zulke groots opgevatte kerkmuziek, zo goed als ze kunnen; ze houden anderen voor krekelvangers [mierenneukers?] en melancholische geesten of rare vogels (Humoristen = zij bij wie de lichaamssappen (humores) uit balans zijn), alsof zij alleen de wijsheid van Salomo in pacht zouden hebben, en anderen er niets van zouden verstaan... |
Als ik dit lees, vermoed ik dat Gerber inderdaad vond dat de kerkmuziek
van J.S. Bach veel te 'werelds' was. Z'n hele boek ademt deze geleerde,
esthetisch-zuinige maar zeer vrome geestesgesteldheid... Het citaat
staat in het hoofdstuk waarin Gerber de plaats van kunst-muziek
in de eredienst (liturgie) behandelt. Hij heeft het er niet zo
op ("Veel muziek vult wel de oren, maar verhindert het zingen van het
hart". En veel professionele muzikanten zijn helemaal niet vroom
etc...). Toch wil hij nu ook weer niet alle muziek in de eredienst
afwijzen (je bent Lutheraan of niet). Als het echter de vieringen in de
Goede Week betreft (die vanouds muziekloos waren, "tacet")
wil hij toch wel op een ontsporing wijzen... En dan volgt de
passage hierboven afgedrukt. Het gaat met name over het
theatrale karakter van de muziek, die de oude, eenvoudige
passie-gezangen heeft vervangen. Vroeger (zo'n50 jaar of langer
geleden... dus in de17de eeuw) zong men een lied, en dan
volgde de recitatie in de kerktoon. Dat was alles. En dat was
goed. Of men zong alternatim een heel lang gezang waarin het
Passieverhaal werd geëvoceerd (bijv. ... Oh Mensch bewein dein
Sünde gross, 23 coupletten). Hier
een beschrijving en evocatie van de liturgie. Dan volgt de anecdote
over hoe de eerste gemusicieerde Passie een schokgolf door de
kerk joeg, en een adellijke dame deed uitroepen: O hemeltje lief,
het lijkt hier wel de opera..., Het speelt zich af in een niet
nader genoemde 'voorname stad' in Sachsen. Breed toepasbaar dus.
Dat deze passage specifiek op Bach doelt is onwaarschijnlijk, ookal
vermoed ik dus dat Gerber niet veel van Bach's passiemuziek moest
hebben. Veel 20ste eeuwse Bach-biografen koppelen deze anecdote
aan de bezorgdheid van het
Stadsbestuur, die bij Bach's indiensttreding hem expliciet liet
beloven geen opera-achtige kerkmuziek te schrijven. De dame
zit trouwens in van de vele loges die zich toentertijd in de kerken
bevonden (Empore, heet dat in het Duits), waarin de hogere
burgerij zich verzamelde. De Ministri die bij haar
zijn zijn stadsambtenaren of magistraten. Ze wonen dus voor het eerst
een Goede-Vrijdagviering bij waarin de Passie (het Evangelieverhaal
van Jezus' lijden) wordt 'gemusiceerd' (ipv gewoon
gereciteerd/gezongen). Deze praktijk is vanaf het begin van de 18de
eeuw steeds wijder verbreid geraakt. Gesner
betreurt dit.
Als u het wilt verbinden met een concrete uitvoering van Bach
(dat mag, maar blijft hypothese), dan zou ik het niet verbinden met de
Mattheüspassie (1727), maar met de Johannespassie, waarvan
de eerste versie in 1724 werd uitgevoerd. Voorzichtig blijven echter,
want:
1. De auteur noemt geen jaartal, geen musicus, geen stad
2. Het staat in een passage waarin hij de algehele verwereldlijking
van de kerkmuziek in Sachsen kritiseert
3. De anecdote zegt dat het de 'eerste keer' was dat de passie werd
gemusicieerd. Dan zou het dus al vóór Bach in Leipzig was moeten zijn
gebeurd (Bach komt pas in 1723, na Pasen, aan). In
Leipzig was de praktijk in 1717 (Nieuwe Kerk) en 1721 (Thomaskerk)
ingevoerd.
Hoe dat ook zij, het lijkt me zeer goed voorstelbaar dat een
argeloze vrome dame, die in de veronderstelling verkeert dat ze een
ouderwetse Goede Vrijdagviering bijwoont (en zich daar geestelijk ook
op voorbereid), van schrik van haar stoel zou kunnen vallen op het
moment dat de Johannespassie begint: Stel u voor hoe na het vrome voorbereidingslied
vanaf het doksaal achterin de kerk plots de violen en hobo's de
hele ruimte vullen, en
de zangers Herr door de kerk doen galmen, Herr,
unser Herrscher ... terwijl je je dacht dat de diaken en de
priester vooraan in de kerk het evangelieverhaal zouden intoneren (met
wat dialogen en turbae koren)...
Een wereld van verschil.
2026 Dick Wursten
* Johann Konrad Dannhauer (1603-1666) was een orthodox Lutherse theoloog, professor in Straatsburg. Verdedigde het lutheranisme tegen het calvinisme en slaat een brug naar het Piëtisme (Philipp Jacob Spener was een van zijn studenten). Gerber deelt duidelijk zijn visie op kerkmuziek.
