Handtekening van Johann Sebastian Bach

Revers des Thomaskantors (verbintenisbrief van de Thomascantor) 1723

De tekst van de verbintenisbrief, die J.S. Bach ondertekende bij zijn aanstelling als Thomaskantor te Leipzig in 1723.

toelichting: De stadsraad van Leipzig had dit document in 1722 opgesteld voor G.Ph. Telemann (die echter op het laatste moment afhaakte). Met enkele kleine wijzigingen (o.a. Telemann's lesopdracht was uitgebreider, de zin over de Neue Kirche was duidelijker) is het gebruikt voor de aanstelling van J.S. Bach. En na zijn overlijden opnieuw voor zijn opvolger (Gottlob Harrer).

Beroemd/berucht is punt 7. Bach verplicht zich ertoe geen 'opera-achtige' kerkmuziek te schrijven. Dat vindt het stadsbestuur onwenselijk (en ik neem aan het consistorie ook, orthodox-luthers). Opera-achtige (barok-sentimentele) uitvoeringen van de Passie waren toen in de mode, maar daarvoor moest je dus niet in Leipzig wezen. Meer kans in Dresden (waar het hof gevestigd was, en de Italiaanse opera hoogtij vierde) of - zo u wenst - in Hamburg (Brockespassie, Telemann). De de passie-oratoria (volledig vrije tekst) vierden daar hoogtij. Bach heeft zich niet op dit terrein begeven (ook niet op dat van de wereldijke opera trouwens, dramma per musica was hem blijkbaar genoeg). Wat zijn kerkmuziek betreft: Geen klacht of grief  is er bekend die hierop zou doelen. Bach heeft zich dus aan z'n verbintenis gehouden (incl. de passies). Ja, ik weet wel, er circuleert een sappig verhaal (van Chr. Gerber uit 1732) over een adellijke dame die bij het horen van een gemusicieerde Passie ontsteld uitroept: "hemeltjelief, het lijkt hier wel de opera!", maar die anecdote staat los van Leipzig en Bach, hoewel ik me kan voorstellen dat er mensen zo gereageerd hebben.

 De tekst van het revers komt uit Bachdokumente Bd 1, nr. 92 (p.177-8). Cursivering is zoals in het origineel. Ik heb in de vertaling opvallende punten in 't vet gezet.
 

Revers des Thomaskantors

verbintenisbrief van de Thomascantor

1723, 5. Mai (Leipzig)

Demnach E. E. Hochweiser Rath dieser Stadt Leipzig mich zum Cantorn der Schulen zu St. Thomas angenommen und einen Revers, in nachgesezten Puncten von mir zuvollziehen begehret, nehmlich:

  1. Daß ich denen Knaben, in einem erbarn eingezogenen Leben und Wandel, met gutem Exempel vorleuchten, der Schulen fleißig abwarten, und die Knaben treulich informiren.

  2. Die Music in beyden Haupt-Kirchen dieser Stadt, nach meinem besten Vermögen, in gutes Aufnehmen bringen.

  3. E. E. Hochweisen Rathe allen schuldigen respect und Gehorsam erweisen und deßen Ehre und reputation aller Orthen bester maßen beobachten und befördern; auch so ein Herr des Raths die Knaben zu einer Music begehret, ihme dieselben ohnweigerlich folgen laßen. Außer diesen aber denenselben auf das Land, zu Begräbnüßen oder Hochzeiten, ohne des regierenden Herrn Bürgermeisters und der Herren Vorsteher der Schulen Vorbewust und Einwilligung zureisen keinesweges verstatten.

  4. Denen Herren Inspectoren und Vorstehern der Schulen in allen und ieden, was im Nahmen E. E. hochweisen Raths dieselbige anordnen werden, gebührende Folge leisten.

  5. Keine Knaben, welche nicht bereits in der Music ein fundament geleget, oder sich doch darzu schicken, daß sie darinnen informiret werden können, auf die Schule nehmen, auch solches, ohne derer Herren Inspectoren und Vorsteher Vorwißen und Einwilligung, nicht thun.

  6. Damit die Kirchen nicht mit unnöthigen Unkosten beleget werden mögen, die Knaben nicht allein in der Vocal- sondern auch in der Instrumental-Music fleißig unterweisen.

  7. Zu Beybehaltung guter Ordnung in denen Kirchen die Music dergestalt einrichten, daß sie nicht zulang währen, auch also beschaffen seyn möge, damit sie nicht opernhafftig herauskommen, sondern die Zuhörer vielmehr zur Andacht aufmuntere.

  8. Die neue Kirche mit guten Schülern versehen.

  9. Die Knaben freundlich und mit Behutsamkeit tractiren, daferne sie aber nicht folgen wollen, solche moderat züchtigen, oder gehöriges Orts melden.

  10. Die Information in der Schule und was mir sonsten zuthun gebühret, treulich besorgen.

  11. Und da ik solche selbst zuverrichten nicht vermöchte, daß es durch ein ander tüchtiges Subjectum, ohne E. E. Hochweisen Raths, oder der Schule, Beytrag, geschehe, veranstalten.

  12. Ohne des regierenden Herrn Bürgermeisters Erlaubnüß mich nicht aus der Stadt begeben.

  13. In LeichBegängnüßen iederzeit, wie gebräuchlich, so viel möglich, bey und neben denen Knaben hergehen.

  14. Und bey der Universität kein officium, ohne E. E. Hochweisen Raths Consens annehmen solle und wolle.

5 mei 1723, Leipzig

Aangezien de Edel-Achtbare en Zeer Wijze Raad van deze stad Leipzig mij heeft aangenomen als Cantor van de school van St. Thomas, en van mij verlangt dat ik een verbintenis aanga op de volgende punten, te weten:

  1. Dat ik de jongens door een eerbaar, ingetogen leven en wandel met een goed voorbeeld zal voorgaan, de school ijverig zal bijwonen en de jongens trouw zal onderwijzen.

  2. Dat ik de muziek in beide hoofdkerken van deze stad naar mijn beste vermogen tot bloei zal brengen.

  3. Dat ik de Edel-Achtbare Raad alle verschuldigde respect en gehoorzaamheid zal betonen en hun eer en reputatie overal ter best mogelijke wijze zal bewaken en bevorderen; ook dat, wanneer een lid van de Raad muziek van de jongens verlangt, ik hen zonder weigering zal laten gaan. Daarbuiten zal ik hen echter geenszins toestaan naar eender waar te reizen voor begrafenissen of bruiloften zonder medeweten en toestemming van de fungerende burgemeester en de schoolopzieners.

  4. Dat ik de heren inspecteurs en opzieners van de school in alles wat zij namens de Edel-Achtbare Raad verordonneren, de gepaste gehoorzaamheid zal verlenen.

  5. Dat ik geen jongens op school zal aannemen bij wie niet reeds een basis in de muziek is gelegd, of die geschikt zijn daarin onderwezen te worden; en dat ik dit niet zal doen zonder medeweten en toestemming van de heren inspecteurs en opzieners.

  6. Dat ik de jongens niet alleen in de vocale, maar ook in de instrumentale muziek ijverig zal onderwijzen, zodat de kerken niet met onnodige kosten worden belast.

  7. Dat ik ter handhaving van de goede orde in de kerken de muziek zodanig zal inrichten dat deze niet te lang duurt en ook zo van aard is dat zij niet opera-achtig overkomt, maar de toehoorders veeleer tot devotie (vrome aandachtigheid) aanzet.

  8. Dat ik de Nieuwe Kerk van goede leerlingen (= die kunnen zingen) zal voorzien.

  9. Dat ik de jongens vriendelijk en met behoedzaamheid zal behandelen; indien zij echter niet willen gehoorzamen, zal ik hen tuchtigen met mate, of dit op de juiste plaats melden.

  10. Dat ik het onderwijs op school en wat mij verder aan taken toekomt, getrouw zal verzorgen.

  11. En indien ik deze taken niet zelf zou kunnen uitvoeren, ik ervoor zal zorgen dat dit door een andere bekwame persoon gebeurt, zonder dat dit de Edel-Achtbare Raad of de school extra geld kost.

  12. Dat ik de stad niet zal verlaten zonder toestemming van de dienstdoende burgemeester.

  13. Dat ik bij begrafenisstoeten te allen tijde, zoals gebruikelijk en voor zover mogelijk, met en naast de jongens zal meelopen.

  14. En dat ik bij de Universiteit geen ambt zal of wil aannemen zonder toestemming van de Edel-Achtbare Raad.

   

Alß verreversire und verpflichte ich mich hiermit und in Krafft dieses, daß ich diesen allen, wie obstehet, treulich nachkommen und, bey Verlust meines Dienstes, darwieder nicht handeln wolle.

Zu Uhrkund habe ich diesen Revers eigenhändig unterschrieben und mit meinem Petschafft bekräfftiget. So geschehen in Leipzig, den 5. Maii, 1723.

Aldus verbindt en verplicht ik mij hiermee dat ik dit alles, zoals hierboven beschreven, trouw zal nakomen en, op straffe van verlies van mijn ambt, hier niet tegenin zal handelen.

Ten bewijze hiervan heb ik deze verbintenis eigenhandig ondertekend en met mijn zegel bekrachtigd. Aldus geschied in Leipzig, op 5 mei 1723.

   

Johann Sebastian Bach


Johann Sebastian Bach


Bach-Dokumente, Band 1, Nr. 92