Home cantates varia biografie

BWV 32: Liebster Jesu mein Verlangen

Zondag na Epifanie/Driekoningen

Concerto in dialogo

bwv32 concerto in dialogo

transcriptie: J.J (= Jesu Juva) Dominica 1 post Epiphanias. Concerto in Dialogo
https://www.bach-digital.de/receive/BachDigitalSource_source_00000993

 

klik hier voor de homilie

 

 

Tekst: Georg Christian Lehms (1711)  + slotvers van het lied van Paul Gerhardt: "Weg, mein Herz, mit den Gedanken, als ob du verstoßen wärst" (melodie 'Freu dich sehr o meine Seele')
Muziek: Johann Sebastian Bach
(Leipzig, 13 januari 1726) BWV 32

In deze cantate wordt het verhaal van de ongeruste ouders die op zoek zijn naar hun zoon (de 12-jarige Jezus in de tempel) mystiek-zinnebeeldig gelezen. D.w.z. als het verhaal van de mens die zijn Heer kwijt is.

Gelukkig laat Jezus zich vinden in Zijns Vaders huis (Vraag: Waar is dat? Antwoord: Lees de cantatetekst). Ze omarmen elkaar opnieuw - nadat de ziel 'de Erdentand' heeft afgezworen (het ijdele wereldse gepoch), en alles komt goed. Lehms heeft deze gedachtenoefening als een dialoog geschreven, tussen de ziel (sopraan) en Jezus (bas) - beide een aria, samen een duet, toeleidend recitatief ertussen. In tekst en muziek wordt de zoektocht, de angst om het verlies, en het gelukzalige wedervinden beschreven. De bruidsmystiek uit het Hooglied (toegepast op Christus en zijn Kerk, in dit geval beter: de individuele gelovige) is met handen te tasten (en voel je in de sensuele muziek). Hobo en viool spelen daar een glansrol naast de twee zangstemmen. Zij maken het tot een 'concerto'.

Het is dus een stuk kamermuziek, een echte cantate (Italiaans) voor sopraan en bas, met twee solo-instrumenten (hobo en viool) en een strijkers-continuo-groep. (7 man/vrouw zou genoeg zijn). Enkel voor het slotkoraal (door Bach toegevoegd aan het libretto van Lehms) is nog een alt en tenor nodig (geen koor dus).

 

 

 

KORTE TOELICHTING

Bach zelf noemde deze cantate 'Dialogus' (op het titelblad) en 'Concerto in dialogo' (boven de eerste aria). In het libretto van Lehms (Gottgefälliges Kirchenopffer 1711) zien we dat dit ook zo is geconcipieerd. Twee stemmen: Seele en Jesus. Tegelijk ziet u dat de tekst geschreven is voor een Nachmittags-Andacht, de 'vesper' (middagdienst - in Vlaanderen: avondgebed): kort en krachtig. Ook kunt u vaststellen dat het slotkoraal ontbreekt bij Lehms.

lehms Liebster Jesu original

“Liebster Jesu, mein Verlangen” (BWV 32) – eerste zondag na Epifanie

Dialogus 

Seele (S), Jesus (B)

De ziel (S), Jezus (B)

1. Aria (S)

Liebster Jesu, mein Verlangen,

sage mir, wo find ich dich?

Soll ich dich so bald verlieren

und nicht ferner bei mir spüren?

Ach! mein Hort, erfreue mich,

laß dich höchst vergnügt umfangen.

 

1.Aria (Ziel)

Liefste Jezus, mijn verlangen,

zeg me, waar vind ik je?

Moet ik je zo snel al weer verliezen

en je nabijheid niet langer voelen?

Ach, mijn toeverlaat, maak me blij,

laat (me) je vol genoegen omhelzen.

 

2. Recitatief (B)

»Was ists, daß du mich gesuchet?

Weißt du nicht, daß ich sein muß

in dem, das meines Vaters ist?«

 

2. Recitatief (Jezus)

“Waarom ben jij naar mij op zoek geweest?

Weet je dan niet, dat ik zijn moet

in de dingen van mijn vader?”  (Lk 2,49)
           (Lehms verandert meervoud in enkelvoud
             
vanwege de context)

 

3. Aria (B)

Hier, in meines Vaters Stätte

findt mich ein betrübter*. Geist.

   Da kannst du mich sicher finden

   und dein Herz mit mir verbinden,

   weil dies meine Wohnung heißt.

 

3. Aria (Ziel)

Hier, in het huis van mijn vader

vindt mij een terneergeslagen*. geest.

   Je kunt me er zeker vinden

   en je hart met mij verbinden

   want ik ben er kind aan huis.

 

4. Recitatief (S, B)

(S) Ach! heiliger und großer Gott,

so will ich mir

denn hier bei dir

beständig Trost und Hülfe suchen.

(B) Wirst du den Erdentand verfluchen

und nur in diese Wohnung gehn,

so kannst du hier und dort bestehn.

(S) Wie lieblich ist doch deine Wohnung,

Herr, starker Zebaoth;

mein Geist verlangt

nach dem, was nur in deinem Hofe prangt.

Mein Leib und Seele freuet sich

in dem lebendgen Gott:

Ach! Jesu, meine Brust liebt dich nur ewiglich.

(B) So kannst du glücklich sein,

wenn Herz und Geist

aus Liebe gegen mich entzündet heißt.

(S) Ach! dieses Wort, das itzo schon

mein Herz aus Babels Grenzen reißt,

faß ich mir andachtsvoll in meiner Seele ein.

4. Recitatief (ziel, Jezus)

(Ziel) Ach, heilige, grote God,

dan wil ik

hier bij u

blijvend troost en hulp zoeken.

(Jezus) Als je de aardse nietigheid vervloekt

en enkel deze woning binnentreedt,

dan kun je, hier en ginds, staande blijven.

(Ziel) Hoe lieflijk is toch uw woning,

Sterke Heer, God Zebaoth;

mijn geest smacht

naar wat enkel uw Hof prijkt.

Met lichaam en ziel verheug ik me

in de levende God: (Ps 84, 2-3)

Ach, Jezus, ik heb mijn hart aan u verloren, voor altijd.

(Jezus) Je mag je gelukkig prijzen,

als hart en geest
in liefde voor mij zijn ontbrand.

(Ziel) Ach, dit woord dat nu al

mijn hart uit Babel’s grenzen losrukt,

leg ik vol eerbied vast in mijn ziel.

 

5. Aria / Duet (S, B)

Nun verschwinden alle Plagen,

nun verschwindet Ach und Schmerz.

(S) Nun will ich nicht von dir lassen,

(B) und ich dich auch stets umfassen.

(S) Nun vergnüget sich mein Herz

(B) und kann voller Freude sagen:

Nun verschwinden alle Plagen,

nun verschwindet Ach und Schmerz!

 

5. Aria / Duet (Ziel, Jezus)

Nu verdwijnen alle plagen,

nu verdwijnt ook ‘Ach en wee’.

(Ziel) Nu zal ik je nooit meer loslaten

(Jezus) en ik zal je steeds omhelzen.

(Ziel) Nu is mijn hart vergenoegd

(Jezus) en kan het vol vreugde zeggen:

Nu verdwijnen alle plagen,

nu verdwijnt  ook ‘Ach en wee’.

 

6. Koraal

Mein Gott, öffne mir die Pforten

solcher Gnad und Gütigkeit,

laß mich allzeit allerorten

schmecken deine Süßigkeit!

Liebe mich und treib mich an,

daß ich dich, so gut ich kann,

wiederum umfang und liebe

und ja nun nicht mehr betrübe.*.

 

6. Koraal

Mijn God, open mij de poorten

van deze genade en goedheid,

laat mij altijd overal

uw zalige zoetheid proeven!

Heb mij lief en spoor mij aan

dat ik u, zo goed ik kan,

wederom omarm en liefheb,

en (u) nu niet meer bedroeve*.

 

Libretto: Georg Christian Lehms

 

Vertaling: Dick Wursten

* "betrübter Geist" (nr 3) - "dich... nicht mehr betrüben" (nr. 6) is lastig concordant te vertalen. Aria nr. 3 verwijst naar Psalm 42:5 "Wat bedroeft gij u, o mijn ziel" (daar is het een klacht. Hebreeuws werkwoord שׁוּחַ (shuach): terneergebogen zijn, verzinken. De Griekse vertaling (septuaginta) koos voor een afleiding van de Griekse woordstam λυπoς, wat 'verdriet, droefheid' betekent. Als werkwoord (bedroeven, verdrietig maken, leed aandoen) komen we tegen in een zin als : "bedroeft de heilige Geest Gods niet" (Ef. 4:30). Deze tekst uit Efeze speelt op de achtergrond van het slotkoraal (nr. 6).

 

bwv32_titelblad

titelblad van de "Dialogus" met bezetting - autograph J.S. Bach.
https://www.bach-digital.de/receive/BachDigitalSource_source_00000993

Hieronder het titelblad van Lehms' cantatejaargang. Voluit:
Gottgefälliges Kirchen-Opffer, in einem Jahr-Gange andächtiger Betrachtungen, über die gewöhnlichen Sonn- und Festags-Texte, GOtt zu Ehren, und der Darmstättischen Schloß-Capelle, zu seiner Früh- und Mittags-Erbauung angezündet von M. Georg Christian Lehms, Hochfürstl. Hessen-Darmstättischen Bibliothecaris. Darmstadt, Druckts Johann Levin Bachmann, hochfürstl. Hoff-Buchdrucker.
NB: net als bij Salomon Franck wordt hier de kerkmuziek als 'offer' beschouwd, en de dichter is de 'anzünder' (die het offer 'aansteekt' met z'n tekst).


titelblad - lehms

te bekijken : https://tudigit.ulb.tu-darmstadt.de/show/W-3719-900

 

 

homilie

1. Leesoefening in de Heilige Schrift

Liebster Jesu, mein Verlangen, sage mir, wo find ich dich?
Hoezo, toch net Epifanie gevierd: Jezus is toch verschenen, heeft z’n heerlijkheid getoond… is aanbeden. Toch zonneklaar…
Nou, … is dat zo?

De kribbe is weg,
De engelen terug in de hemel, de herders weer bij hun kudden

Ook de koningen zijn weer terug - elk naar z’n eigen koninkrijk.

Orde van de dag is hersteld.

 

Waar is hij eigenlijk Jezus, NU?  Waar is hij te vinden? Waar moeten we hem zoeken. Dat is de vraag die de cantate aan de orde stelt… Heel nadrukkelijk.

Zoals een goed protestantse tekst betaamt, komt die vraag uit de heilige Schrift, de evangelielezing van de zondag na Epifanie: over Jozef en Maria die hun Jezus kwijt waren. Ze zoeken hem, maar vinden hem niet…

Bij die woorden gaat er een lampje branden (een hyperlink springt aan) als je een 18de eeuwse kerkganger zou zijn. Je zou onmiddellijk aan het Hooglied van Salomo denken: waar de hoofdpersoon, het meisje (bruid) haar vriend kwijt is.

Ze zoekt hem maar vindt hem niet.
Ze roept, maar hij antwoordt niet.(Hgl 2, Hgl 5)
Zo dwaalt ze – wanhopig door de stad…

 

MAAR zeggen wij dan: Dat gaat toch helemaal niet over Jezus.. en zijn ouders die hem niet konden vinden… Klopt.

Of ... zoals gezegd, we gaan een Leesoefening in de Heilige Schrift : dat wil zeggen “Lees maar, er staat niet wat er staat….”

 

Lees nog maar eens een keer, anders, met andere ogen… Wellicht beginnen dan andere, diepere betekenislagen uit het alledaags lijkende verhaal mee te klinken, wordt het een ‘spiegelverhaal’ waarin we onze eigen zoektocht naar… ‘God’? herkennen… Misschien ontstaat er dan wel een dialoog… met de tekst, en doorheen de tekst en de muziek met… God: concèrto in diálogo…

De viering is zo opgezet dat deze dialoog een kans krijgt.

De lezingen zijn gekozen in functie van wat er in de cantate straks aan de orde wordt gesteld, Evangelie – Hooglied – Psalm 84

 

2 Overdenking
Mooi verhaal… Als ik erover moest preken… dan had ik rijke stof…

Zou het nog eens kort navertellen, wat toelichten (grote feesten – tempelgang)

- En op de bezorgdheid van de ouders… zo herkenbaar.

- en de zin van de moeder ‘wegen’: naar het leven getekend

o opgelucht en verwijtend… Maria toch!

- En dan Jezus’ antwoord: wat een volwassenheid !

o nog wat achtergrond: 12 jaar bar mitswa (zoon van de thora/ volwassenheid).

En dan – moet ook wat diepzinnig zijn nietwaar… een preek.

- Ik zou erop wijzen hoe Jezus de wereld van de moeder verlaat (aan het moederen wordt een grens gesteld) en de wereld van de vader betreedt (elk mens moet op eigen benen leren staan, loslaten, verantwoordelijkheid nemen). Zou wel een beetje bang worden, of ik geen verkeerde dingen zou gaan zeggen over moeder/vaderrollen, gender enzo…

- En: Jezus’ diepzinnige antwoord: wist gij niet dat ik in het huis van mijn vader moest zijn? Hoe dubbelzinnig dat is: ‘de tempel’ (ja natuurlijk), maar ook ‘huis van zijn Vader’ (zegt hij tegen zijn vader!).

- En dan zou ik doorbomen op het feit dat dat er eigenlijk niet staat ‘het huis van mijn vader’, maar in de ‘de dingen van mijn vader’ (en tois tou patros mou) dat is breder dan alleen maar een geografische aanduiding waar de ouders toen Jezus moesten zoeken. Maar duidt op de zijn bestemming, levensinhoud… ‘de te gane weg’. Daar waar hij 'voor zou gaan' - de thora vervullen... laten zien wat dat is 'eigen zijn in de dingen zijns Vaders'

Zou best een leuke preek worden…

 

Maar als ik dan zou stoppen, dan zou u tevreden zijn, maar zou men in Bach’s tijd mij raar aankijken. Nu al ? En niet alleen vanwege de korte duur.

Dat is allemaal ‘uitleg’ historisch, exegetisch correct, leuk en aardig, interessant, maar… daarmee kan de kous toch niet af zijn?

Dat verhaal moet toch meer zijn dan een ‘verhaal van toen’… Dat is toch – nu word ik even helemaal Luthers – viva vox evangelii –het levende woord van God voor ons. Dat gaat dus helemaal niet over Jozef en Maria toen, daar, maar over ons hier, nu...

En een preek is pas geslaagd – in Bach’s tijd – als de luisteraar dat heeft begrepen, en gevoeld. Tua res agitur.

En zo zijn we bij de cantate van vandaag. Lehms doet dat voor ons.

 

Niet Jozef en Maria zijn Jezus kwijt en naar hem op zoek… Wat zou ons dat interesseren? Nee, wij… zijn Jezus kwijt…

Liebster Jesu, mein Verlangen, sage mir, wo find ich dich?

 

En wat we kwijt zijn is niet maar Maria’s lieve kindje, neen: dat is onze steun en toeverlaat (Mein Hort…) zonder wiens nabijheid wij het niet overleven, we niet staande kunnen blijven, hier niet in dit leven, maar zeker niet in eeuwigheid (hier und dort bestehen).

Zo zag men dat toen. Zo las men dat toen… en: Zo beleefde men dat toen.

 

…. Waar is Jezus dan? Waar moeten wij hem zoeken? Waar vinden wij hem? That is the question… de existentiële vraag … enfin,vond men toen. En daarop geeft de cantatedichter, Christian Lehms antwoord.

 

En – u hebt het al begrepen – hij grijpt voor de articulatie van die existentiële vraag niet naar historische uitlegging, maar naar het bijbelboek bij uitstek dat die vraag behandelt: Het Hooglied.

Daar is de ‘bruid’ haar bruidegom kwijt. Haar zielsbeminde… Dat gevoel, dat je niet zonder iemand kunt, dat je verteerd wordt door verlangen… dat het pijn doet, als je hem niet nabij weet: dat wordt verwoord in de eerste aria…Niet zozeer de pijn, maar het verlangen… (de pijn heeft Bach meer centraal gesteld in een andere cantate voor dezelfde zondag: BWV 154: Mein liebster Jesus ist verloren... Verzweiflung...

 

Werkelijk onaards mooi getoonzet door Bach. Dialoog tussen sopraan en hobo. Heerlijke compositie.

En nogmaals: de sopraan die dat zingt dat is niet Maria, maar dat is de ‘Ziel’. Dat wil zeggen: dat zijn wij….

 

Over die ziel moeten we niet moeilijk doen – of ie bestaat of niet - , ook niet mysterieus: Onze ziel, dat is ‘ons innerlijk leven’, wanneer wij ons van onszelf (en ons 'zijn in de wereld') bewust worden, en ‘reflecteren’. Als we 'ik/wij' leren zeggen. Ik mag hopen dat u dat hebt, een innerlijk leven hebt, dat u geregeld wel eens stil staat, vragen stelt… en ook ‘u zelf ‘in vraag stelt’.

- Doen we wel de juiste dingen, lopen we warm voor wat echt de moeite waard is…

- of verliezen we onszelf (onze ziel) aan ‘wat wel aantrekkelijk lijkt, maar geen bevrediging geeft’ : ‘Der Erdentand’ heet dat in de cantate: ‘aardse ‘ijdelheid’ – vanitas: het lijkt heel wat, maar is niets.

 

Wij mensen worden er licht door opgeslokt: snel genot, makkelijk gewin, aanzien, macht… het blijft zo aan de buitenkant: ‘je ziel wordt er niet warm of koud van’, of beter: ze wordt er ‘koud’ van, sterft, gaat verloren.

Dáár zul je dus je zielsbeminde niet vinden… Als je je daarop richt, daarin investeert zul je de rest van je leven blijven dwalen, en te gronde gaan..

Dat is het harde antwoord dat de ziel krijgt van Jezus (bas) in recitatief en aria

Je moet hem wel zoeken waar hij zich laat vinden:

In de ‘dingen zijns Vaders’ daar is hij….

In het huis van de Vader.

 

- (nr. 4) De ziel is overtuigd, en wil zich prompt met Jezus verbinden, maar – en we zijn nu in het RECITATIEF aangekomen, (nr. 4) - dat gaat zomaar niet: Als je dat huis (de tempel) waar Jezus is, binnengaat, dan moet je je prioriteiten op orde brengen. Jezus (de bas) is er duidelijk over: Er moet gekozen worden ! Of ‘het aardse vertoon’… of ‘de dingen mijns Vaders’. Je kunt niet in beide tegelijk thuis zijn.

Volgt u straks maar een de dialoog tussen Jezus en uw ziel in het recitatief…

 

Geloven is niet achteroverleunen, maar engagement commitment voor ‘de dingen des Vaders’…. Dat is wat er in ‘het huis van de Vader’ prijkt, en enkel daarin kunnen lichaam en ziel zich verheugen… Een woord dat verschillende keren in de cantate valt en Bach ook elke keer muzikaal benadrukt.

 

Nu, ik ga de rest niet uitleggen: u moet ook zelf nog wat doen: little grey cells trainen in de geestelijke oefening die het luisteren naar een cantate is.

- Hoe dat recitatief uitloopt op dat schitterend duet… waarin God en mens elkaar vinden, en zich aan elkaar verbinden, trouw beloven, dus wel verbindend.

De bedoeling: Woorden en muziek willen de boodschap bij u in het hart brengen: als u dit in uw ziel graveert… dan ziet uw leven er anders uit, preciezer: dan ziet u uw leven anders.. Kijkt u met andere ogen naar hetzelfde leven. Dan waardeert u alles ‘nieuw’…

ook wat tegenslaat, pijn doet. (Plagen, Ach und Schmerz).

Dat ‘verdwijnt’ zegt Lehms. Hij bedoelt: ook dat verschiet van kleur, neem je op een andere manier waar… geef je een plaats binnen‘de dingen van de Vader’ die ‘eeuwig’ zijn… Het kan de levensvreugde nietbreken. U hoort het in de meeslepende dansante muziek.

 

Na dit duet was het volgens Lehms gedaan. Hij had geen slotgezang voorzien.

Bach vond blijkbaar dat er nog iets moest volgen.

En heeft dan zelf de slotstrofe (nr 12) uit een lied van Paul Gerhardt gekozen. Dat vond hij blijkbaar een goed ‘slotakkoord’

Laat dat vers (tekst en muziek) maar eens op u inwerken als u hem hoort zingen.

Het is gebed…, zeker. Het heeft dezelfde verlangende toon als de hele cantate doortrekt… maar eindigt met een engagement

wederkerigheid in de liefde die God aan de mens heeft betoond in zijn Zoon.

 

En als u hem eerst een keer hebt horen voorzingen (tijdens de cantate), zing hem dan daarna mee – aandachtig.

Want ‘waar aandachtig wordt gezongen, daar is God zelf… met zijn genade’. Amen.

 

 

 

WAAR IS JEZUS ?
[inleiding in het programmaboekje van zondag 19 januari 2025, Sint-Norbertuskerk]

 

De Bachcantatedienst van vandaag (19-01-2025) cirkelt rond cantate BWV 32: Liebster Jesu, mein Verlangen. Dit is een muzikaal commentaar bij het verhaal van Jozef en Maria die hun zoon tijdens de pelgrimage naar Jeruzalem uit het oog zijn verloren, en hem pas na een uitgebreide zoektocht vinden, in de tempel van Jeruzalem (Lucas 2,41-52), waar hij de Schriftgeleerden de les (thora) leest. In Bach’s tijd was dit de Evangelielezing voor de eerste zondag na Driekoningen.

De tekst is van Georg Christian Lehms (1684-1717). Opvallend: Vanaf Kerst 1725 tot de tweede zondag na Epifanie 1726 heeft Bach 6 cantates gecomponeerd op zijn teksten (resp. BWV 110, 57, 151, 16, 32, 13), een Kerstoratorium avant la lettre. Wonderlijke lacune in deze jaargang: Er is geen cantate voor Epifanie overgeleverd (die is er zeker geweest: Ook Lehms?).
Lehms was bibliothecaris en hofdichter aan het hof in Darmstadt
. Hij had een goede naam als schrijver van romans, opera-libretti en gelegenheidsgedichten. Ook publiceerde hij enkele jaargangen cantateteksten voor de vieringen aan het hof (kapelmeester: Christoph Graupner). Lehms had een voorliefde voor affectvolle recitatieven en aria’s en schreef ook graag dialogen (Italiaanse stijl, solistische uitvoering). De teksten die Bach heeft getoonzet zijn alle afkomstig uit de bundel Gottgefälliges Kirchen-Opffer (1711). - Meest bekend: Mein Herze schwimmt im Blut (BWV 199) en Selig ist der Mann (BWV 57, ook een dialoog tussen de ziel (S) en Jezus (B) - uitgevoerd op tweede kerstdag/Stephanuszondag 1725)

De cantate interpreteert – geheel in de lijn van de toenmalige uitlegging – het evangelieverhaal (Jozef en Maria zijn ‘hun kind' Jezus, kwijt) geestelijk. De essentie is niet dat ooit twee ouders hun zoontje zijn kwijtgeraakt, maar dat de gelovige ‘zijn Jezus’ wel eens kwijt raakt, en dan wanhopig naar hem op zoek gaat. Sleuteltekst is de zin die Jezus spreekt als hij gevonden wordt (in de tempel): “Waarom zoeken jullie mij. Wisten jullie niet dat ik zijn moest ‘in wat mijns Vaders is’?” (Deze tekst wordt - omgezet in het enkelvoud in de cantate - om te kloppen met de context: een dialoog tussen twee personae).
Waar moet je Jezus dan zoeken? Waar is hij te vinden?
In d
e tempel = letterlijk, maar geestelijk (in de onderliggende vertellaag) gaat dat verder: 'In de dingen die van mijn Vader zijn - daar ben ik ook': In 'Gods huis'. In Woord en Sacrament is Hij daar aanwezig... En 'in de muziek die daar klinkt, ook daar is hij 'mit seiner Gnadengegenwart'. Ervaren doe je dat in je hart. Daar communiceert de ziel (sopraan) met Jezus (bas) als een ‘geliefde met haar vriend’. Voor ons wat vreemd, maar het is precies die (bruids)mystiek die het christelijk geloof in Bach’s tijd met een warme innigheid vervulde. We vinden deze taal vaak terug in zijn cantates (en Passies!): God en de gelovige hebben een ‘relatie’, ze zijn elkaars geliefden, met alles wat daarbij hoort: Van verlatingsangst tot een passioneel verlangen naar vereniging: Liebster Jesu, mein Verlangen, sage mir, wo find ich dich! De taal om dit uit te drukken vond men in het oud-testamentische boek: het Hooglied.

Daaruit is dan ook de eerste lezing genomen. Het Hooglied is oorspronkelijk geschreven als een sensueel liefdesgedicht, maar heeft in de loop van de geschiedenis een betekenislaag erbij gekregen. Het werd gelezen als een mystieke tekst, een ‘gelijkenis’ van de relatie tussen God en zijn uitverkorene (volk, kerk, gelovige…). In het Hooglied is de bruid haar vriend/bruidegom kwijt, en zoekt hem dwalend door de straten van de stad, en vindt hem… Ook het lied dat we na de communie zingen baadt in deze mystieke sfeer, en bevat hints naar Augustinus, Bernardus van Clairvaux, Johannes Ruusbroec en ... dus ook Bach.

Qua vorm is de cantate opgebouwd als een dialoog tussen de gelovige (sopraan) en Jezus (bas). In het eerste deel bezingt de ziel haar verlangen naar Jezus, die ze ‘kwijt is’. In het recitatief (2) en de aria (3) is Jezus aan het woord: Hij wijst de gelovige terecht: ze moet hem op de goede plaats zoeken, daar waar Hij te vinden is. In het volgende recitatief (4) vinden ze elkaar (dialoog) nadat de gelovige Psalm 84 heeft gezongen: Hoe lieflijk zijn uw woningen - middendeel van dit recitatief. Daarna gaan ze verder op elkaar in, en uiteindelijk in elkaar op (duet): een dartel dansritme laat de vreugde horen.

De cantate eindigt met een slotkoraal. Dat was niet voorzien door Lehms, maar heeft Bach op eigen houtje toegevoegd. Het is de slotstrofe van een lied van Paul Gerhardt. Een biddend engagement van de gelovige, dat hij/zij Gods liefdeswoord niet onbeantwoord zal laten. De melodie is die van psalm 42 (Geneefse psalter): Evenals een moede hinde naar het klare water smacht … Hoe passend, want ook een lied van verlangen.

 

Frans Van Looveren, Dick Wursten

 

 

Home cantates varia biografie

   


Dick Wursten (dick@wursten.be)