Wie kiest de gezangen ? De voorganger of de cantor?
Deze pagina hoort bij de biografiepagina
De eerste tekst 8 september 1728 is een officiële beschikking van het Saksische Consistorie (kerkbestuur), gericht aan het Leipziger Ministerium (De vergadering van de Pastoren/Pfarrer; voorzitter: Superintendent Salomon Deyling). Het betreft de zaak aanhangig gemaakt door subdiaken Gaudlitz tegen de cantor Bach: nl. dat deze weigerde de door de voorganger opgegeven liederen te spelen/zingen. Het betreft de vespervieringen in de St. Nicolaikerk en het gaat om het lied voor en na de preek. Uit de stukken (m.n. uit de reactie van Bach) kunnen we opmaken dat Gaudlitz blijkbaar liederen had uitgezocht die niet in het officiële gezangenboek stonden. De drie teksten hieronder bevatten de originele klacht van Gaudlitz, de beschikking van het consistorie en Bach's reactie. Er is een besluit aangaande de te zingen gezangen bekend uit 1730 (2 jaar later). Of dat nog over deze zaak gaat, is niet zeker.
NB: Het consistorie van Leipzig is een onderdeel van het
Keurvorstelijk Saksisch Consistorie (staatsorgaan om de zaken van de
eredienst te behartigen, besturen). De tekst is geschreven in de
typische Kanzleistil (kanselarijstijl) van die tijd.
1. "Titulatuur-diarree"
In de 18e eeuw was hiërarchie alles. De tekst besteedt bijna de
helft van de woorden aan de titels van de keurvorst/koning (Friedrich
August I, "August de Sterke'). Door de volledige lijst titels te noemen
(Hertog van Gulik, Kleef, Berg, etc.), onderstreept de ambtenaar de
absolute autoriteit van de afzender. Het negeren van dit briefje is niet
alleen een meningsverschil met een collega, maar ongehoorzaamheid aan de
Kroon.
2. "Sandwich-beleefdheid"
De brief begint met een overdreven hartelijke aanhef ("insonders
geliebter Collega") en eindigt met de mededeling dat ze "willig"
(bereid) zijn om de ontvanger te dienen. De realiteit: De brief is een bitse
terechtwijzing. Bach moet de liederen zingen/spelen die de
predikant (Gaudlitz) uitkiest
3. Juridische precisie: "Demnach" en "Alß"
De brief is opgebouwd als één lange, dwingende zin: Demnach (Aangezien):
De aanleiding van het probleem (de klacht van Gaudlitz). Alß
(Daarom): De conclusie of het bevel. Deze formulering laat geen ruimte
voor interpretatie.
Wat hier eigenlijk staat (Kort door de bocht): "Beste collega (i.c.
Deyling), beveel die eigenwijze Cantor dat hij gewoon moet doen wat de
voorganger hem opdraagt. Met vriendelijke groet."
De tweede tekst is de reactie van Bach. Hij laat het niet op zich zitten, en protesteert onder verwijzing naar zijn ambt (en dus zijn bevoegdheid, zoals die contractueel is vastgelegd bij zijn aanstelling). De liedkeuze is beperkt tot het officieel in gebruik zijnde gezangboek, en het is de cantor die de opdracht heeft hierover te waken....
| Originaler deutscher Text (1728) | Nederlandse Vertaling |
|---|---|
| 1728, 8. September
(Leipzig): Verfügung des Konsistoriums im Streit Bachs mit
Gaudlitz Unsern freundlichen Dienst zuvor. Wohl Ehrwürdiger, Hochgelahrter, insonders geliebter Collega, günstigster Herr und guter Freund. Demnach bey uns der Diaconus substitutus an der Kirche zu St. Nicolaj hiesigen Orts über den Cantoren an der Schule zu St. Thomae, Iohann Sebastian Bach, wegen Singung der Lieder bei den Vesper Predigten beigefügte Beschwerde übergeben; Alß begehren, im Nahmen des Allerdurchl. Großmächtigsten Fürsten und Herrn, Herrn Friedrich Augusts, Königs in Pohlen, etc. Hertzogs zu Sachßen, Jülich, Cleve, Berg, Engern und Westphalen, des heil. Römischen Reichs ErzMarschalls und Churfürstens, Landgrafens in Thüringen, Markgrafen zu Meißen, auch Ober und NiederLausitz, Burggrafen zu Magdeburg, gefürsteten Grafen zu Henneberg, Grafen zu der Mark, Ravensberg und Barby, Herrn zu Ravenstein, unsres Allergnädigsten Herrn, wir hiermit an denselben, Er wolle gedachten Cantoren bedeuten, daß wenn die Priester, welche predigen, vor oder nach der Predigt gewisse Lieder zu singen ansagen laßen, er sich danach achten und solche singen laßen solle. Mochten wir ihm nicht bergen und sind ihm zu dienen willig. Datum Leipzig den 8. Sept. 1728. Die Verordneten des Chur- und Fürstl. Sächs. Consistorii allhier. Quelle: Bach-Dokumente, Band 2, Nr. 246 (Archiv der Thomaskirche Leipzig) origineel verloren gegaan. |
onze Allergenadigste Heer: Gegeven te Leipzig, 8 september 1728. De gedelegeerde
bestuurders van het Keur- en vorstelijke Saksich consistorie
alhier. |
| 1728, 20. September
(Leipzig): Eingabe an den Rat der Stadt Leipzig Magnifici, HochEdelgebohrne, HochEdle, Veste, Hoch- und Wohlgelahrte, auch Hochweise, HochzuEhrende Herren und Patroni, Ew. Magnificenz HochEdelgebohrene und HochEdle Herrlichkeiten geruhen Sich Hochgeneigt zurück zu erinnern, welchergestalt bey erfolgter vocation des mir anvertraueten Cantorats bey hiesiger Schulen zu St. Thomae ich von E. Magnificenz HochEdelgebohrenen und HochEdlen Herrlichkeiten dahin verwiesen worden, derer bißanherigen Gebräuchen bey dem öffentlichen GottesDienst allenthalben gebührend nachzugehen, und keine Neuerung einzuführen, mir auch hierunter Dero hohen Schutz angedeyhen zu lassen hochgeneigt versichert. |
1728, 20 september (Leipzig):
Verzoekschrift aan de Raad van de stad Leipzig Magnifici, Hoogedelgeboren, Hoogedele, Standvastige, Hoog- en Welgeleerde, ook Hoogwijze, Hooggeëerde Heren en Patroni, Uwe Magnificentie, Hoogedelgeboren en Hoogedele Heren, U gelieve zich welwillend te herinneren hoe ik, bij de aanvaarding van het mij toevertrouwde Cantoraat aan de Thomasschool, door Uwe Magnificentie en Hoogedele Heren ben aangesteld om de tot dusver gebruikelijke gewoonten bij de openbare godsdienstoefeningen overal naar behoren op te volgen en geen vernieuwingen in te voeren; waarbij mij ook Uw hoge bescherming in dezen welwillend werd toegezegd. |
| Unter diesen Gebräuchen und Gewohnheiten ist auch die Verordnung derer Geistlichen Gesänge vor und nach denen Predigten gewesen, welche mir und meinen Antecessoribus des Cantorats nach Maßgebung derer Evangeliorum und dahin eingerichteten Dreßdner-Gesangbuchs, wie es der Zeit und Umstände convenient schienen, lediglich überlassen worden, allermassen, wie das löbliche Ministerium es zu attestiren wissen wird, niemahls contradiction dießfalls entstanden. | Onder deze gebruiken en gewoonten viel ook de verordening (juridische term: uitkiezen en opgeven) van de geestelijke gezangen voor en na de preken, welke aan mij en mijn voorgangers in het cantoraat — op aangeven van de Evangelielezingen en het daarop afgestemde Dresden-gezangenboek, al naar gelang het bij de tijd en omstandigheden (sc. liturgisch te verstaan) passend scheen — geheel werd overgelaten; zoals het lofwaardige Ministerium zal kunnen getuigen, is hierover nimmer enige tegenspraak ontstaan. |
| Diesem zu wieder aber hat sich der Subdiaconus der Kirchen St. Nicolai, Herr Mag. Gottlieb Gaudlitz, einer Neuerung bißanhero zu unterziehen, und an statt der bißherigen Kirchen Gebrauch gemäß geordneten Lieder, andere Gesänge anzuordnen gesuchet, und als ich wegen besorglicher consequentien darein zu condescendiren Bedencken getragen, beschwerde bey dem Hochlöblichen Consistorio wieder mich geführet, und eine Verordnung an mich ausgewürcket, Inhalts welcher ich hinkünfftig dieienigen Lieder, welche mir von den Predigern angesaget werden würden, absingen lassen solle. | In strijd hiermee heeft de subdiaken van de Nicolaïkerk, de heer Magister Gottlieb Gaudlitz, getracht een vernieuwing door te voeren en, in plaats van de volgens kerkelijk gebruik geordende liederen, andere gezangen voor te schrijven. Toen ik vanwege de te vrezen consequenties aarzelde hiermee in te stemmen, heeft hij een klacht tegen mij ingediend bij het Hooglofwaardige Consistorium en een verordening tegen mij verkregen, die inhoudt dat ik voortaan de liederen moet laten zingen die mij door de predikanten worden opgegeven. |
| Wann dann aber mir solches ohne
vorbewust E. Magnificenz HochEdelgebohrenen und
HochEdlen Herrlichkeiten als hohen Patronis derer
alhiesigen Kirchen zu bewerckstelligen um soviel weniger geziehmen
will, da bißanhero von so langer Zeit beständig die Verordnung
derer Lieder bey dem Cantorat inturbiret geblieben,
ermeldter Herr Mag. Gaudlitz auch selbst in seinen an
das Hochlöbliche Consistorium gerichteten und
beygehenden abschrifftlichen Schreiben sub A. gestehet,
daß, wenn ihm ein oder das anderemahl gefüget worden, mein als des
Cantoris Einwilligung hierzu erfordert worden. Wozu kommt, daß wenn bey Kirchen Musiquen auserordentlich lange Lieder gesungen werden sollen, der Gottesdienst aufgehalten und also allerhand Unordnung zu besorgen stehen würde, zugeschweigen kein eintziger derer Herren Geistlichen, ausser der Herr Mag. Gaudlitz als Subdiaconus diese Neuerung zu introduciren suchet. |
Aangezien het mij echter niet past om dit uit te
voeren zonder voorkennis van Uwe Magnificentie en Hoogedele Heren,
als zijnde de hoge beschermheren (Patronis) van de plaatselijke
kerken — te meer daar de verordening van de liederen gedurende zo
lange tijd constant en ongestoord bij het Cantoraat is
gebleven en de genoemde heer Magister Gaudlitz ook zelf in zijn
bijgevoegde schrijven aan het Hoogloffelijke Consistorie (zie
bijlage A) toegeeft dat, wanneer hij incidenteel zijn zin
kreeg, mijn toestemming als Cantor daarvoor vereist was. Daar komt nog bij dat, wanneer er bij (naast) de kerkmuziek uitzonderlijk lange liederen gezongen moeten worden, de godsdienstoefening opgehouden (= het ritme verstoord) wordt en dat er dus gevreesd moet worden dat er allerhand wanorde ontstaat, om nog maar te zwijgen van het feit dat niet één van de heren geestelijken, behalve de heer Magister Gaudlitz als Subdiaconus, tracht deze vernieuwing in te voeren. |
| Welches ich also E.
Magnificenz HochEdelgebohrenen und HochEdlen
Herrlichkeiten als Patronis derer Kirchen gehorsamst zu
hinterbringen der Nothdurfft erachtet, mit unterthänigen Bitten,
mich bey denen bißherigen üblichen Gebräuchen derer Lieder und
derer Anordnung Hochgeneigt zu schützen. Wofür lebenslang verharre E. Magnificenz HochEdelgebohrenen und HochEdlen Herrlichkeiten Leipzig den 20. Sept. 1728 gehorsamster Johann Sebastian Bach. |
Dit heb ik derhalve noodzakelijk geacht Uw
Magnificence en Hoogedele Edelheden als patronen van de kerken in
alle gehoorzaamheid mee te delen, met het onderdanige verzoek mij
welwillend te beschermen bij de tot dusver gebruikelijke gewoonten
omtrent de liederen en de ordening daarvan. Waarvoor ik levenslang
verblijf Uw... gehoorzaamste Johann Sebastian Bach. |
| Anhang A (Schreiben von Gaudlitz) / Bijlage A (Schrijven van Gaudlitz) | |
| An das Chur- und Fürstlich Sächßische Consistorium zu Leipzig, P.P. Es ist ungefehr vor Jahresfrist geschehen, daß ich mit Vorbewust Ihro Magnifizenz des Herrn Superintendenten und Einwilligung des Herrn Cantoris ein der reinen Evangelischen Wahrheit gemäßes Lied in meiner ordentlichen Vesper-Predigt anzugeben den Anfang gemacht, und biß daher also fortgefahren. Nachdem aber obgedachter Herr Cantor unter dem eitelen Vorwand, daß Er seinen Successoribus nichts vergäbe, solches ferner nicht leiden will; Als sehe mich genöthiget, zu Ew. Magnif. und HochEdlen Herren meine Zuflucht zu nehmen, und zu bitten, daß Sie hochgeneigt geruhen wollen, mir bey diesem allein zur Ehre Gottes abziehlenden Vornehmen, die Hand zu biethen, und mir dasjenige zu verstatten, was nicht nur andern meinen HochgeEhrtesten Herren Collegen, wie auch denen Herren LandPredigern bey Circulations-Predigten, ia ieden privato bey Copulationen und Leichen-Predigten erlaubt ist. Ich versehe mich hochgeneigter Willfahrung. Gott aber, dessen Ruhm gesuchet wird, wird es vergelten, der ich im übrigen mit aller Devotion und Respect verharre E. Magnif. und HochEdlen Herren Leipzig d. 7. Sept. 1728. gebeth und dienstschuldigster M. Gottlieb Gaudlitz. Quelle: Bach-Dokumente, Band 1, Nr. 19 |
Aan het keur- en vorstelijke Saksiche consistorium te Leipzig P.P. (Praemissis Praemittendis = placeholder voor de ellenlange, verplichte beleefdheidsformules en titels). Het is ongeveer een jaar geleden gebeurd dat ik, met voorkennis van Uwe Magnificentie de Heer Superintendent en met toestemming van de Heer Cantor, ben begonnen met het opgeven van een lied dat overeenstemt met de zuivere Evangelische waarheid in mijn gewone vesper-preek, en daar tot dusver mee ben doorgegaan. Nadat echter de bovengenoemde heer Cantor, onder het ijdele voorwendsel dat hij zijn opvolgers niets wil toegeven [hun rechten niet wil verkwanselen], dit voortaan niet meer wil dulden; zie ik mij genoodzaakt mijn toevlucht te nemen tot Uwe Magnificentie en Hoogedele Heren, en te verzoeken dat u welwillend gelieve mij bij dit — uitsluitend op de ere Gods gerichte — voornemen de hand te reiken. En dat u mij datgene wilt toestaan wat niet alleen aan mijn andere zeer geëerde heren collega's is toegestaan, evenals aan de heren plattelandspredikanten bij de beurtpreken, ja, zelfs aan iedere particulier bij huwelijksvoltrekkingen en begrafenispreken. Ik reken op een welwillende inwilliging. God echter, wiens roem gezocht wordt, zal het vergelden; ik die overigens met alle toewijding en respect verblijf." |
