J.S. Bach, Brief aan Georg Erdmann, 28 oktober 1730
Erdmann en Bach waren jeugdvrienden (schoolperiode). Op het moment van
schrijven heeft Erdmann een diplomatieke positie in Dantzig (Gdansk), en
voelt Bach zich duidelijk niet meer happy in Leipzig. (achtergrondinfo
op de biografiepagina)

|
Hoch Wohlgebohrner Herr. Ew: Hochwohlgebohren werden einem alten treüen Diener bestens excusiren, daß er sich die Freyheit nimmet Ihnen mit diesen zu incommodiren. Es werden nunmehr fast 4 Jahre verfloßen seyn, da E: Hochwohlgebohren auf mein an Ihnen abgelaßenes mit einer gütigen Antwort mich beglückten; Wenn mich dann entsinne, daß Ihnen wegen meiner Fatalitäten einige Nachricht zu geben, hochgeneigt verlanget wurde, als soll solches hiermit gehorsamst erstattet werden. Von Jugend auf sind Ihnen meine Fata bestens bewust, biß auf die mutation, so mich als Capellmeister nach Cöthen zohe. Daselbst hatte einen gnädigen und Music so wohl liebenden als kennenden Fürsten; bey welchem auch vermeinete meine Lebenszeit zu beschließen. Es muste sich aber fügen, daß erwehnter Serenißimus sich mit einer Berenburgischen Princeßin vermählete, da es denn das Ansehen gewinnen wolte, als ob die musicalische | Inclination bey besagtem Fürsten in etwas laulicht werden wolte, zumahln da die neüe Fürstin schiene eine amusa zu seyn: so fügte es Gott, daß zu hiesigem Directore Musices u. Cantore an der Thomas Schule vociret wurde. Ob es mir nun zwar anfänglich gar nicht anständig seyn wolte, aus einem Capellmeister ein Cantor zu werden, weßwegen auch meine resolution auf ein vierthel Jahr trainirete, jedoch wurde mir diese station dermaßen favorable beschrieben, daß endlich (zumahln da meine Söhne denen studiis zu incliniren schienen) es in des Höchsten Nahmen wagete, u. mich nacher Leipzig begabe, meine Probe ablegete, u. so dann die mutation vornahme. Hieselbst bin nun nach Gottes Willen annoch beständig. Da aber nun (1) finde, daß dieser Dienst bey weitem nicht so erklecklich als mann mir Ihn beschrieben, (2) viele accidentia dieser station entgangen, (3) ein sehr theürer Orth u. (4) eine wunderliche und der Music wenig ergebene | Obrigkeit ist, mithin fast in stetem Verdruß, Neid und Verfolgung leben muß, als werde genöthiget werden mit des Höchsten Beystand meine Fortun anderweitig zu suchen. Solten Eu: Hochwohlgebohren vor einen alten treüen Diener dasiges Ohrtes eine convenable station wißen oder finden, so ersuche gantz gehorsamst vor mich eine hochgeneigte recommendation einzulegen; an mir soll es nicht manquiren, daß dem hochgeneigten Vorspruch und interceßion einige satisfaction zu geben, mich bestens beflißen seyn werde. Eu: Hochwohlgebohren Leipzig. den 28. Octobr. 1730. Joh: Sebast: Bach. |
Hoogedelgeboren Heer, Uw Hoogedelgeborene zult een oude trouwe dienaar wel willen excuseren
dat hij de vrijheid neemt U met deze brief lastig te vallen. Er moeten
ongeveer vier jaar voorbij zijn, sinds Uw Hoogedelgeborene mij gelukkig
maakte met een vriendelijk antwoord op de brief die ik U schreef; als ik
mij dan herinner dat U toen zeer welwillend verlangde dat ik U zou
berichten over mijn lotgevallen, zal ik mij hier gehoorzaam van die taak
kwijten. Van mijn jeugd af zijn U mijn levensfeiten goed bekend, tot aan
de mutatie, waarbij ik als kapelmeester naar Köthen trok. Daar had ik
een genadige en de muziek zowel kennende als liefhebbende vorst; bij wie
ik ook van plan was de rest van mijn leven te blijven. Helaas moest
geschieden dat de bedoelde Serenissimus huwde met een Berenburgse
prinses, waarbij het er vervolgens op begon te lijken alsof de muzikale
inclinatie van bedoelde vorst zich leek te verflauwen, temeer daar die
vorstin een amusa scheen te zijn: zo beschikte God het dat ik hierheen
tot de Director Musices en Cantor van de Thomasschool geroepen werd.
Hoewel het mij weliswaar aanvankelijk helemaal niet beviel om van een
kapelmeester een cantor te worden, waarom ook mijn beslissing een
kwartjaar lang traineerde, werd echter deze station mij dermate gunstig
voorgespiegeld, dat ik eindelijk (temeer daar mijn zonen tot studeren
geïnclineerd schenen) het in de naam van de Hoogste waagde, en mij naar
Leipzig begaf, mijn examen aflegde, en vervolgens die mutatie
bewerkstelligde. Hier ben ik nu naar Gods wil nog steeds werkzaam. Daar
ik echter (1) vind dat deze dienst lang niet zo aantrekkelijk is als men
hem beschreven had, (2) vele accidentia dezer post mij ontgaan zijn, (3)
het een zeer dure plaats is en (4) er een wonderlijke en de muziek
weinig toegedane overheid is, waardoor ik bijna steeds in ergernis, nijd
en vervolging leven moet, zo voel ik mij genoodzaakt met de hoogste
bijstand mijn fortuin elders te zoeken. Mocht U Hoogedelwelgeborene,
voor een oude trouwe dienaar in uw woonplaats een geschikte post weten
of vinden, zo verzoek ik U heel gehoorzaam voor mij een zeer welwillende
recommandatie te verlenen; aan mij zal het niet mankeren dat de zeer
welwillende voorspraak en intercessie enige satisfactie zal opleveren,
mij naar beste vermogen bevlijtigend. Mijn huidige dienstbetrekking
levert ongeveer 700 thaler op, en als er wat meer lijken zijn dan
gewoonlijk, dan stijgen ook naar proportie de accidentia, is er echter
een gezonde lucht, dan vallen daarentegen zulke ook, zoals ik dan vorig
jaar aan accidentia 100 thaler heb ingeboet op gewone lijken. In
Thüringen kan ik met 400 thaler verder komen dan in deze plaats met nog
eenmaal zoveel honderden, vanwege het excessieve, kostbare
levensonderhoud. Nu moet ik ook nog een weinig vermelden van mijn
huiselijke toestanden. Ik ben voor de tweede keer getrouwd en mijn
eerste vrouw zaliger is in Köthen gestorven. Uit het eerste huwelijk
zijn nog drie zoons en een dochter in leven, die Uw Hoogedelgeborene nog
in Weimar gezien heeft zoals U zich zeer welwillend zult herinneren. Uit
het tweede huwelijk zijn in leven een zoon en twee dochters. Mijn oudste
zoon is een rechtenstudent, de beide anderen zitten nog op school, een
in de eerste, de andere in de tweede klas, en de oudste dochter is ook
nog ongehuwd. De kinderen uit het tweede huwelijk zijn nog klein, en de
eerstgeboren knaap is zes jaar oud. Maar het zijn allemaal geboren
Musici, en ik kan u verzekeren, dat ik al een concert Vocaliter en
Instrumentaliter met mijn familie geven kan, temeer daar mijn huidige
vrouw een heldere sopraanstem heeft, en ook mijn oudste dochter niet
slecht meedoet. Ik overschrijd bijna de maat der hoffelijkheid als ik U
Hoogedelgeborene met nog meer belast, daarom ijl ik naar het slot toe
met alle respect mijn leven lang verblijvend, de aan |
|
Bach-Dokumente, Band 1, Nr. 23 |
vertaling: Maarten t'Hart, Johann Sebastian Bach. |
