Handtekening van Johann Sebastian Bach

Bach als muzikale multitasker: Gesner en Quintilianus

Gesner (18de eeuw) zegt tegen de Quintilianus (1ste eeuw):
"
U vindt u een cither-zanger indrukwekkend in multitasking? Welnu, dan heeft u mijn collega Bach nog niet bezig gezien."

Inhoudsopgave


In zijn wetenschappelijke editie van het retorische handboek van Quintilianus (ed. 1738, zie afbeelding hieronder) voegt J.A. Gesner een uitgebreide voetnoot toe in Boek 1, Hoofdstuk 12, waarin hij verwijst naar J.S. Bach. Wat? Hoezo? Waarom?

gesner - quintilianus - titelpagina

Fabius Quintilianus (eerste eeuw, auteur van hèt handboek over de redenaarskunst) was bij zijn terreinverkenning over de criteria waaraan een goede redenaar (orator) moet voldoen, tot de vaststelling gekomen dat die niet alleen van heel veel zaken heel veel moet afweten, maar ook dat hij zich van al zijn kennis en vaardigheden simultaan moet kunnen bedienen (multitasking so to speak). In hoofdstuk 12 stelt hij dan de (retorische) vraag: is dit eigenlijk wel realistisch? Kan een mens dat wel? Sommigen twijfelen daaraan.
Om hen van repliek te dienen, introduceert Quintilianus uitvoerende muzikanten (i.c. 'citharoidi') een 'zanger die tegelijk de cithara (snaarinstrument) bespeelt'. Kijk, hoe die alles perfect gecoördineerd kan laten verlopen. Hier aangekomen last Gesner een voetnoot in (onderaan de pagina (bij het pijltje op de afbeelding hieronder): Hij kent een nog veel beter voorbeeld: Bachium meum in Thomano Lipsiensi collegam (Bach, mijn collega uit Leipzig)

voetnoot - gesner over bach

Eerst het citaat van Quintilanus, dan de voetnoot van Gesner (De Institutione Oratoria, ed. Johann Matthias Gesner (Göttingen: Abram Vandenhoeck, 1738).

Quintilianus over de multitaskende muzikant

De Institutione Oratoria I, 12

2 Sed non satis perspiciunt, quantum natura humani ingenii valeat: quae ita est agilis et velox, sic in omnem partem, ut ita dixerim, spectat, ut ne possit quidem aliquid agere tantum unum, in plura vero non eodem modo die, sed eodem temporis momento vim suam impendat. Maar zij [die ontkennen dat een mens dat kan] hebben niet in de gaten hoe groot de kracht van de menselijke geest eigenlijk is: deze is zo beweeglijk en snel, en kijkt (als ik het zo mag zeggen) in alle richtingen tegelijk, dat hij niet slechts in staat is één ding goed te doen, maar dat hij zijn vermogen op meerdere dingen kan aanwenden, niet binnen een dag, maar op hetzelfde moment.
3 … An vero citharoedi non simul & memoriae, & sono vocis & pluribus flexibus serviunt, cum interim alios nervos dextra percutiunt, alios laeva trahunt, continent, probant, ne pes quidem otiosus, certam legem temporum servat, & haec pariter omnia..... Of bedienen cither-zangers zich niet tegelijkertijd van hun geheugen, hun stemgeluid, en van talrijke vocale buigingen, terwijl zij ondertussen met de rechterhand bepaalde snaren aanslaan en met de linkerhand andere aantrekken, vasthouden of dempen? Zelfs de voet is niet lui en bewaart de vaste wet van de tijden (maat); en dit alles tegelijkertijd?

Voetnoot van Gesner: Bach is nog veel straffer

Deze voetnoot is eigenlijk wel bijzonder grappig: De wetenschappelijke uitgever (dat is Gesner) geeft in z'n voetnoten gewoonlijk wat uitleg of toepassingsmogelijkheden. Hier echter richt hij zich rechtstreekt tot de auteur (Fabius Quintilianus), noemt hem  bij naam: .. Haec omnia, Fabi... Het is een apostrof. De achtergrond van deze voetnoot: Gesner kende Bach al meer dan 20 jaar, want was zijn collega geweest in Weimar (Bach was daar hofmusicus, Gesner hofbibliothecaris). Maar meer nog: hij had met Bach samengewerkt tijdens de periode dat hij in Leipzig rector van de Thomasschule (1730-1734) was. Bach was zijn leraar zang-muziek (cantor). Hij bewonderde blijkens deze voetnoot zowel de enorme virtuositeit van diens klavierspel als zijn vermogen om als cantor in de kerk al die muzikanten samen te houden... De voetnoot

VOETNOOT bij "3 ... et haec pariter omnia"Haec omnia, Fabi, paucissima esse diceres, si videre tibi ab inferis excitato contingeret, Bachium, ut hoc potissimum utar, quod meus non ita pridem in Thomano Lipsiensi collega fuit: manu utraque & digitis omnibus tractantem vel polychordum nostrum, multas unum citharas complexum, vel organon illud organorum, cuius infinitae numero tibiae follibus animantur, hinc manu utraque, illic velocissimo pedum ministerio percurrentem, solumque elicientem plura diversissimorum, sed eorundem consentientium inter se sonorum quasi agmina:

VOETNOOT bij "3 .... en dit alles tegelijkertijd
Dit alles, Fabius, zou je zeer onbeduidend noemen, mocht het je gebeuren dat je — opgeroepen uit de onderwereld — Bach zou zien (om hem specifiek te noemen, omdat hij nog niet lang geleden mijn collega was aan de Thomasschule in Leipzig): hoe hij met beide handen en al zijn vingers speelt op ofwel ons polychord (dat meerdere cithers in één omvat) (= het klavecimbel), of op dat organon organorum , instrument der instrumenten  (= het orgel), waarvan een oneindig aantal pijpen door blaasbalgen tot leven wordt gewekt; hoe hij heen en weer snelt, hier met beide handen en daar met de vliegensvlugge inzet van zijn voeten, en in zijn eentje vele uiteenlopende — maar harmonieus samenklinkende — rijen van klanken voortbrengt.

VERVOLG:

... hunc, inquam, si videres, dum illud agit, quod plures citharistae vestri, & sexcenti tibicines non agerent, non una forte voce canentem citharoedi instar, suasque peragentem partes, sed omnibus eundem intentum, & de xxx vel xxxx adeo symphoniacis, hunc nutu, alterum supplosione pedis, tertium digito minaci revocantem ad rhythmos & ictus; huic summa voce, ima alii, tertio media praeeuntem tonum, quo utendum sit, unumque adeo hominem, in maximo concinentium strepitu, cum difficillimis omnium partibus fungatur, tamen eadem statim animadvertere, si quid & ubi discrepet, & in ordine continere omnes, & occurrere ubique, & si quid titubetur restituere, membris omnibus rhythmicum, harmonias unum omnes arguta aure metientem, voces unum omnes, angustis unis faucibus edentem. Maximus alioquin antiquitatis fautor, multos unum Orpheas & viginti Arionas complexum Bachium meum, & si quis illi similis sit forte, arbitror.

... (deze man), als je hem zou kunnen zien, zeg ik, terwijl hij dat doet wat vele van jullie citherspelers en zeshonderd van jullie fluitspelers niet zouden kunnen; niet, zoals een zanger die zichzelf op de cither begeleidt, slechts met één stem zingend en zijn eigen partij uitvoerend, maar op iedereen tegelijk gericht, de één tot het ritme en de maat roepend met een knikje, een ander met een stamp van de voet, en een derde met een dreigende vinger. Je zou hem de toon zien aangeven — hoog voor de één, laag voor eenander, en middenin voor een derde — op precies het moment dat het nodig is; en hoe deze ene man, te midden van het grootste geraas van de uitvoerders, hoewel hij de moeilijkste partijen van allemaal uitvoert, toch onmiddellijk kan opmerken of er iets misgaat en waar het wringt, iedereen in het gareel houdt, overal tussenbeide komt en alles wat wankelt herstelt. Je zou hem zien als de man die dat lichaam in al z'n ledematen ritmeert, die alle harmonieën met zijn scherpe oor tot één afmetend, en alle stemmen laat zingen alsof de nauwe keel maar één geluid voortbrent. Hoewel ik een groot bewonderaar van de oudheid ben, geloof ik niettemin dat mijn Bach (en iedereen die eventueel op hem lijkt) in zijn eentje vele Orpheussen en twintig Arions in zich verenigt.

Context: Scheibe’s passie-oratorium in 1739: Een toeval?

Het is op zich al hele mooi om deze lofzang op Bach te zien verschijnen in een wetenschappelijke editie van het handboek van Quintilianus: vermomde fanmail. Maar wellicht was het ook meer dan dat: een hoogst nuttige ondersteuning van Bach, die op dat moment werd aangevallen door Johann Adolph Scheibe, componist en criticus. Die had de muziek van Bach in zijn tijdschrift Der Critische Musicus (1737) gekritiseerd. Enerzijds had hij Bach de hemel in geprezen vanwege zijn bijzonder grote beheersing van het contrapunt. Hij was veruit de knapste componist van zijn generatie, maar ... de muziek was natuurlijk wel nodeloos ingewikkeld en eigenlijk niet meer om aan te horen, ze was 'tegen de natuur'. De affaire kreeg een venijnig staartje in maart 1739. Toen werd Bach door de stadsraad verboden om de standaard liturgische muziek op Goede Vrijdag (de Johannespassie waarschijnlijk) uit te voeren..., zonder opgaaf van reden. Bach was verbijsterd en boos. Hij ging zijn beklag doen bij het consistorie. Op diezelfde Goede Vrijdag werd er echter wel een passie-oratorium uitgevoerd in de Neue Kirche, gecomponeerd door J.A. Scheibe. Birnbaums uitgebreide verdediging van Bach (tegen de aanval van Scheibe) was trouwens in die periode ook net in druk verschenen. Toeval? Of had Scheibe invloed op de autoriteiten in Leipzig?


```