//bach.de/leben/pics/signature.gif

Home cantates varia biografie


Nederlandse vertaling van de Mattheuspassie van J.S. Bach.

Opmerking over de vrije teksten (recitatieven-arioso's-aria's): Picander (de scenarist van Bach) moge geen groot dichter geweest zijn, hij was wel bijzonder taalvaardig. Zijn taal heeft een hoge densiteit (dichtheid) in symboliek en theologie. Daarbij zijn de zinsconstructies soms behoorlijk complex, maar nooit, nimmer maakt hij er een potje van zoals sommige vertalers suggereren. Vandaar dat ik een poging heb gewaagd. Hij heeft zich trouwens duidelijk - soms letterlijk - gebaseerd op bezinningsteksten en passiepreken van Heinrich Müller [klik hier voor enkele voorbeelden].

De evangelietekst (Mt. 26-27 - de Mattheüspassie) is de Nederlandse vertaling van de Lutherse vertaling (Lutherbijbel 1546-herziene versie 1994, licht aangepast). Voor de koralen heb ik een mix gemaakt van bestaande berijmingen en eigen bewerkingen. Twee opmerkingen:

1. De passie is een 'drama in musicis'. De aria's verwoorden de ervaring van de gelovige. De rol van de koren is complex. Zij zijn in het drama getrokken, aanwezig bij en reagerend  op het gebeurde, soms becommentariërend (zoals een koor in een Griekse tragedie). Inhoudelijk gezien is het vaak de stem van 'Sion' (een personificatie van de inwoners van de heilige Stad, prominent in de Psalmen en in sommige Profeten, bijv. "Sion spreekt 'de Heer heeft mij verlaten'..."), maar deze oscilleert met die van de gemeenschap der gelovigen, zeker als 'haar dochters' in het spel zijn (bijv. in het openingskoor). Ook de symboliek van de bruid die de bruidegom harer ziel zoekt of zijn afwezigheid betreurt (Hooglied) is aanwezig (begin van deel 2). Door deze personificaties is het vrouwelijk gehalte van dit drama uitzonderlijk hoog.

2. Als het koor een koraal zingt, dient dit naar mijn onbescheiden mening, anders te klinken dan wanneer ze als koor (koren) in de passie betrokken is. Veel moderne uitvoeringen voeren de koralen zeer expressief (zelfs expressionistisch tot op het détail) uit, soms wordt zelfs de melodische gang niet gerespecteerd. Ik vind dat vreemd. De uitvoering zou gebaat zijn bij een beetje afstand (het zijn de 'punten' in de zinsbouw/syntaxis van dit drama). Zing de rijke zettingen vooral zuiver en ingetogen en vloeiend (zoals een koraal): niets is intenser dan dat: elke stem melodieus, vooral lettend op de 'mood'.

Afin, u hoeft het allemaal niet te weten om de muziek te kunnen beleven... - passietijd, 2013, Dick Wursten.

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.pngErster Teil

 

 

1. Cori 
Flauto traverso I/II, Oboe I/II, Violino I/II, Viola, Organo, Continuo

Kommt, ihr Töchter, helft mir klagen,     [extra info]
Sehet - Wen? - den Bräutigam,
Seht ihn - Wie? - als wie ein Lamm!
O Lamm Gottes, unschuldig
Am Stamm des Kreuzes geschlachtet,
Sehet, - Was? - seht die Geduld,
Allzeit erfunden geduldig,
Wiewohl du warest verachtet.
Seht - Wohin? - auf unsre Schuld;
All Sünd hast du getragen,
Sonst müßten wir verzagen.
Sehet ihn aus Lieb und Huld
Holz zum Kreuze selber tragen!
Erbarm dich unser, o Jesu!

Komt, gij dochters, helpt mij klagen

Ziet - wie ? - de Bruidegom,

Ziet Hem - hoe ? - als een lam

O Lam van God, onschuldig

Aan de stam van 't kruis genageld,

Ziet - wat ? - zijn geduldige liefde

Altijd bleeft gij geduldig,

hoezeer gij werd vernederd.

Ziet - waarheen ? - op onze schuld

Gij hebt de schuld gedragen,

Anders moesten wij versagen.

Ziet hoe Hij uit liefde en gunst

zelf het kruishout draagt!

Erbarm u onzer, o Jezus.

 

 

 

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png2

Da Jesus diese Rede vollendet hatte, sprach er zu seinen Jüngern: Ihr wisset, daß nach zweien Tagen Ostern wird, und des Menschen Sohn wird überantwortet werden, daß er gekreuziget werde.

 

Toen Jezus deze woorden geëindigd had, sprak hij tot zijne jongeren : Gij weet, dat het na twee dagen Pasen wordt, en des Mensen Zoon zal overgeleverd worden om gekruisigd te worden.

 

 

 

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png3

Herzliebster Jesu, was hast du verbrochen,

Daß man ein solch scharf Urteil hat gesprochen?

Was ist die Schuld, in was für Missetaten

Bist du geraten?

 

Noem d' overtreding mij, die Gij begaan hebt,
het kwaad, o liefste Heer, dat Gij gedaan hebt,
Aan welk misdaad men u heeft schuldig bevonden,
noem mij uw zonden.

 

 

 

 

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png4

Da versammleten sich die Hohenpriester und Schriftgelehrten und die Ältesten im Volk in den Palast des Hohenpriesters,der da hieß Kaiphas, und hielten Rat, wie sie Jesum mit Listen griffen und töteten. Sie sprachen aber:

Ja nicht auf das Fest, auf daß nicht ein Aufruhr werde im Volk.

 

Da nun Jesus war zu Bethanien, im Hause Simonis des Aussätzigen, trat zu ihm ein Weib, die hatte ein Glas mit köstlichem Wasser und goß es auf sein Haupt, da er zu Tische saß. Da das seine Jünger sahen, wurden sie unwillig und sprachen:Wozu dienet dieser Unrat? Dieses Wasser hätte mögen teuer verkauft und den Armen gegeben werden.

 

Da das Jesus merkete, sprach er zu ihnen: Was bekümmert ihr das Weib? Sie hat ein gut Werk an mir getan. Ihr habet allezeit Armen bei euch, mich aber habt ihr nicht allezeit. Daß sie dies Wasser hat auf meinen Leib gegossen, hat sie getan, daß man mich begraben wird. Wahrlich, ich sage euch Wo dies Evangelium geprediget wird in der ganzen Welt, da wird man auch sagen zu ihrem Gedächtnis, was sie getan hat.

Toen vergaderden de Hogepriesters en Schriftgeleerden en de Oudsten des volks in het paleis van den hogepriester, genaamd Kájafas, en beraadslaagden te zamen, hoe zij Jezus met list zouden vangen en doden. Doch zij zeiden:

Vooral niet op het feest, opdat er geen oproer kome onder het volk.

 

Toen nu Jezus te Bethanië was in het huis van Simon, den melaatse, trad ene vrouw tot hem, die ene albasten fles met kostbare zalfolie had, en goot die uit op zijn hoofd, toen hij aan tafel zat. Toen zijne jongeren dat zagen, werden zij misnoegd en zeiden: Waartoe deze verkwisting. Deze zalfolie had duur verkocht, en het geld den armen gegeven kunnen worden.

Toen Jezus dit merkte, zeide hij tot hen: Waarom doet gij deze vrouw moeite aan? Zij heeft een goed werk aan mij gedaan. Armen hebt gij altijd bij u; maar mij hebt gij niet altijd. Dat zij deze zalfolie op mijn lichaam heeft uitgegoten, dat heeft zij gedaan, omdat ik zal begraven worden. Voorwaar, ik zeg u: Overal, waar dit evangelie gepredikt wordt in de gehele wereld, zal men ook tot hare gedachtenis zeggen wat zij gedaan heeft.

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

5. Recitativo A 
Flauto traverso I/II, Organo, Continuo

Du lieber Heiland du,
Wenn deine Jünger töricht streiten,
Dass dieses fromme Weib
Mit Salben deinen Leib
Zum Grabe will bereiten,
So lasse mir inzwischen zu,
Von meiner Augen Tränenflüssen
Ein Wasser auf dein Haupt zu gießen!

Gij, liefdevolle Heiland,

terwijl uw leerlingen dwaas aan het ruziën zijn

over deze vrome vrouw

die met zalf uw lichaam

voor het graf wil toebereiden,

sta mij intussen toe

om van de tranenvloed die uit mijn ogen springt

wat waterdruppels op uw hoofd te gieten !

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

6. Aria A 
Flauto traverso I/II, Organo, Continuo

Buß und Reu
Knirscht das Sündenherz entzwei,
    Dass die Tropfen meiner Zähren
    Angenehme Spezerei,
    Treuer Jesu, dir gebären.

Boete en berouw

kraakt het zondig hart, het breekt in twee

zodat de druppels van mijn tranen

als een aangename specerij

o trouwe Jezus, aan u toevallen.

 

 

 

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png7

Da ging hin der Zwölfen einer, mit Namen Judas Ischarioth, zu den Hohenpriestern und sprach: Was wollt ihr mir geben? Ich will ihn euch verraten. Und sie boten ihm dreißig Silberlinge. Und von dem an suchte er Gelegenheit, daß er ihn verriete.

 

Toen ging een van de twaalven, genaamd Judas Iskariot, tot de Hogepriesters en zeide: Wat wilt gij mij geven en ik zal hem u overleveren? En zij wogen hem dertig zilverlingen toe. En van toen af zocht hij gelegenheid om hem over te leveren

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

8. Aria S 
Flauto traverso I/II, Violino I/II, Viola, Organo, Continuo

Blute nur, du liebes Herz!
    Ach! ein Kind, das du erzogen,
    Das an deiner Brust gesogen,
    Droht den Pfleger zu ermorden,
    Denn es ist zur Schlange worden.

Bloed maar, geliefd hart,

Ach! een Kind door u grootgebracht

aan wie gij de borst gegeven hebt

dreigt nu de Voedster te vermoorden

want hij is een slang geworden.

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png9

Aber am ersten Tage der süßen Brot traten die Jünger zu Jesu und sprachen zu ihm: Wo willst du, daß wir dir bereiten, das Osterlamm zu essen? Er sprach: Gehet hin in die Stadt zu einem und sprecht zu ihm: Der Meister laßt dir sagen: Meine Zeit ist hier, ich will bei dir die Ostern halten mit meinen Jüngern.

Und die Jünger täten, wie ihnen Jesus befohlen hatte, und bereiteten das Osterlamm. Und am Abend satzte er sich zu Tische mit den Zwölfen. Und da sie aßen, sprach er: Wahrlich, ich sage euch: Einer unter euch wird mich verraten. Und sie wurden sehr betrübt und huben an, ein jeglicher unter ihnen, und sagten zu ihm: "Herr, bin ich's, bin ich's?"

 

En op den eersten dag der ongezuurde broden traden de jongeren tot Jezus, en zeiden tot hem: Waar wilt gij, dat wij u het Pascha bereiden zullen om het te eten? Hij zeide: Gaat heen in de stad tot zekeren man, en zegt tot hem: De Meester laat u zeggen: Mijn tijd is nabij; ik wil bij u het Pascha houden met mijne jongeren.

En de jongeren deden gelijk Jezus hun bevolen had, en bereidden het Pascha. Toen het nu avond geworden was, zette hij zich aan tafel met de twaalven. En toen zij aten zeide hij: Voorwaar, ik zeg u, dat één van u mij verraden zal. En zij werden zeer bedroefd, en ieder van hen begon tot hem te zeggen: Ik toch niet, Heer?

 

 

 

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png10

Ich bin's, ich sollte büßen,
An Händen und an Füßen
Gebunden in der Höll.
Die Geißeln und die Banden
Und was du ausgestanden,
Das hat verdienet meine Seel
.

Ik ben het, ik zou moeten boeten

aan handen en voeten

gebonden in de hel.

De gesels en de koorden

en wat gij moet doorstaan:

dat is het verdiende loon van mijn ziel.

 

 

 

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png11

Er antwortete und sprach: Der mit der Hand mit mir in die Schüssel tauchet, der wird mich verraten. Des Menschen Sohn gehet zwar dahin, wie von ihm geschrieben stehet; doch wehe dem Menschen, durch welchen des Menschen Sohn verraten wird! Es wäre ihm besser, daß derselbige Mensch noch nie geboren wäre. Da antwortete Judas, der ihn verriet, und sprach: Bin ich's, Rabbi? Er sprach zu ihm: Du sagest's.

Da sie aber aßen, nahm Jesus das Brot, dankete und brach's und gab's den Jüngern und sprach: Nehmet, esset, das ist mein Leib. Und er nahm den Kelch und dankte, gab ihnen den und sprach: Trinket alle daraus; das ist mein Blut des neuen Testaments, welches vergossen wird für viele zur Vergebung der Sünden. Ich sage euch: Ich werde von nun an 'nicht mehr von diesem Gewächs des Weinstocks trinken bis an den Tag, da ich's neu trinken werde mit euch in meines Vaters Reich.

 

En hij antwoordde, zeggende: Die de hand met mij in den schotel doopte, die zal mij verraden. Des Mensen Zoon gaat wel heen, gelijk van hem geschreven staat; maar wee dien mens, door wien des Mensen Zoon verraden wordt! Het ware dien mens beter, dat hij nooit geboren was. Toen antwoordde Judas, die hem verried, en zeide: Ik toch niet, Rabbi? Hij zeide tot hem: Gij zegt het.

Toen zij nu aten, nam Jezus het brood, dankte, en brak het, en gaf het den jongeren, en zeide: Neemt, eet, dit is mijn lichaam. En hij nam den kelk en dankte, en gaf hun dien, en zeide: Drinkt allen daaruit; dit is mijn bloed, het bloed des nieuwen verbonds, dat vergoten wordt voor velen tot vergeving der zonden. En ik zeg u, dat ik van nu af niet meer drinken zal van dit gewas des wijnstoks tot op dien dag, wanneer ik het nieuw met u drinken zal in het rijk mijns Vaders.

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

12. Recitativo S 
Oboe d'amore I/II, Organo, Continuo

Wiewohl mein Herz in Tränen schwimmt,
Dass Jesus von mir Abschied nimmt,
So macht mich doch sein Testament erfreut:
Sein Fleisch und Blut, o Kostbarkeit,
Vermacht er mir in meine Hände.
Wie er es auf der Welt mit denen Seinen
Nicht böse können meinen,
So liebt er sie bis an das Ende.

Hoewel mijn hart in tranen baadt

omdat Jezus van mij afscheid neemt,

ben ik toch vergheugd om zijn testament:

zijn dierbaar vlees en bloed

laat hij mij na, geeft hij mij in handen.

Zoals hij in deze wereld het met de zijnen

nooit kwaad heeft voorgehad,

zo bemint hij hen tot het einde.

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

13. Aria S 
Oboe d'amore I/II, Organo, Continuo

Ich will dir mein Herze schenken,
Senke dich, mein Heil, hinein!
    Ich will mich in dir versenken;
    Ist dir gleich die Welt zu klein,
    Ei, so sollst du mir allein
    Mehr als Welt und Himmel sein.

Ik wil u mijn hart schenken

Daal erin af, mijn Heil, helemaal!

Ik wil mij ook in u verzinken

En ookal is voor u de wereld te klein,

wel, voor mij bent u alleen al

meer dan wereld en hemel samen.

 

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png14

Und da sie den Lobgesang gesprochen hatten, gingen sie hinaus an den Ölberg. Da sprach Jesus zu ihnen: In dieser Nacht werdet ihr euch alle ärgern an mir. Denn es stehet geschrieben: Ich werde den Hirten schlagen, und die Schafe der Herde werden sich zerstreuen. Wenn ich aber auferstehe, will ich vor euch hingehen in Galiläam.

 En toen zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg. Toen zeide Jezus tot hen: In dezen nacht zult gij u allen aan mij ergeren; want er staat geschreven: "lk zal den herder slaan, en de schapen der kudde zullen zich verstrooien". Maar wanneer ik zal opgestaan zijn, zal ik voor u heen gaan naar Galiléa.

     

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png15

Erkenne mich, mein Hüter,
Mein Hirte, nimm mich an!
Von dir, Quell aller Güter,
Ist mir viel Guts getan.
Dein Mund hat mich gelabet
Mit Milch und süßer Kost,
Dein Geist hat mich begabet
Mit mancher Himmelslust.

Houd gij mij in uw hoede,

Gij die uw schapen telt,

o bron van al het goede,

waaruit mijn leven welt.

Gij die mijn ziel wilt laven

met liefelijke spijs

Gij overstelpt met gaven

tot in het paradijs

     

16

Petrus aber antwortete und sprach zu ihm: Wenn sie auch alle sich an dir ärgerten, so will ich doch mich nimmermehr ärgern.
Jesus sprach zu ihm: Wahrlich, ich sage dir: In dieser Nacht, ehe der Hahn krähet, wirst du mich dreimal verleugnen. Petrus sprach zu ihm:
Und wenn ich mit dir sterben müßte, so will ich dich nicht verleugnen.
Desgleichen sagten auch alle Jünger.

 

Doch Petrus antwoordde en zeide tot hem: Al ware het ook, dat zij zich allen aan u ergerden, zo zal ik mij nochtans nimmermeer ergeren. Jezus zeide tot hem: Voorwaar, ik zeg u, in dezen nacht, eer de haan kraait, zult gij mij driemaal verloochenen. Petrus zeide tot hem: Al ware het ook, dat ik met u moest sterven, zo zal ik u toch niet verloochenen. Desgelijks zeiden ook al de jongeren.

     

17

Ich will hier bei dir stehen;
Verachte mich doch nicht!
Von dir will ich nicht gehen,
Wenn dir dein Herze bricht.
Wenn dein Herz wird erblassen
Im letzten Todesstoß,
Alsdenn will ich dich fassen
In meinen Arm und Schoß.

Ik wil zo graag u bijstaan;

veracht mij nu toch niet!

U wil ik niet verlaten

als u het harte breekt.

Als uw hart gaat verzwakken

in de allerlaatste nood,

dan wil ik u omarmen

en bergen in mijn schoot.

     

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png18

Da kam Jesus mit ihnen zu einem Hofe, der hieß Gethsemane, und sprach zu seinen Jüngern: Setzet euch hie, bis daß ich dort hingehe und bete. Und nahm zu sich Petrum und die zween Söhne Zebedäi und fing an zu trauern und zu zagen. Da sprach Jesus zu ihnen:Meine Seele ist betrübt bis an den Tod, bleibet hie und wachet mit mir.
 

 Toen kwam Jezus met hen aan een hof, genaamd Gethsémané, en zeide tot zijne jongeren: Zit hier neder, totdat ik zal heengegaan zijn en ginds gebeden hebben. En hij nam tot zich Petrus en de twee zonen van Zebedeüs, en begon treurig en zeer beangst te worden. Toen zeide Jezus tot hen: Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe; blijft hier en waakt met mij.

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

19. Recitativo T e Coro 
Violino I col Soprano, Violino II coll' Alto, Viola col Tenore, Flauto dolce I/II, Oboe da caccia I/II, Organo, Continuo

O Schmerz!
Hier zittert das gequälte Herz;
Wie sinkt es hin, wie bleicht sein Angesicht!
Was ist die Ursach aller solcher Plagen?
Der Richter führt ihn vor Gericht.
Da ist kein Trost, kein Helfer nicht.
Ach! meine Sünden haben dich geschlagen;
Er leidet alle Höllenqualen,
Er soll vor fremden Raub bezahlen.
Ich, ach Herr Jesu, habe dies verschuldet
Was du erduldet.
Ach, könnte meine Liebe dir,
Mein Heil, dein Zittern und dein Zagen
Vermindern oder helfen tragen,
Wie gerne blieb ich hier!

O Smart!
Hier siddert het gekwelde hart;
Hoe zakt het weg, hoe verbleekt zijn gelaat?

Wat is de oorzaak van deze kwellingen?

De rechter leidt hem ten gerichte
Er is geen troost, gen helper, nergens

Ach! mijn zonden hebben u geslagen;

Hij lijdt alle helse pijnen
Hij moet voor vreemden de losprijs betalen

Ik, o Heer Jezus, ben er de schuld van

dat gij dit moet verdragen.

Ach, zo mijn liefde,

o mijn heil, aan uw angst en beven,

ook maar iets zou kunnen afdoen of helpen dragen,

Volgaarne bleef ik hier !

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

20. Aria T e Coro 
Oboe, Flauto traverso I/II, Violino I/II, Viola, Organo, Continuo

Ich will bei meinem Jesu wachen,
So schlafen unsre Sünden ein.
    Meinen Tod
    Büßet seine Seelennot;
    Sein Trauren machet mich voll Freuden.
    Drum muss uns sein verdienstlich Leiden
    Recht bitter und doch süße sein.

Ik wil bij mijn Jezus waken,

Zo slapen onze zonden in.

Voor mijn dood

boet hij met zijn zielsbenauwdheid

Zijn treuren maakt dat ik mij verheugen mag.

Daarom moet ons zijn verdienstelijk lijden

heel bitter en toch zoet zijn.

 

 

 

21

Und ging hin ein wenig, fiel nieder auf sein Angesicht und betete und sprach: Mein Vater, ist's möglich, so gehe dieser Kelch von mir; doch nicht wie ich will, sondern wie du willt.

En hij ging een weinig voort, en viel op zijn aangezicht neder, en bad, zeggende: Mijn Vader, is het mogelijk, laat deze kelk van mij voorbijgaan; doch niet gelijk ik wil, maar gelijk Gij wilt.

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

22. Recitativo B 
Violino I/II, Viola, Organo, Continuo

Der Heiland fällt vor seinem Vater nieder;
Dadurch erhebt er mich und alle
Von unserm Falle
Hinauf zu Gottes Gnade wieder.
Er ist bereit,
Den Kelch, des Todes Bitterkeit
Zu trinken,
In welchen Sünden dieser Welt
Gegossen sind und hässlich stinken,
Weil es dem lieben Gott gefällt.

De Heiland valt voor zijn Vader neer,

Daardoor verheft Hij mij en allen

uit onze zondeval

opwaarts, tot Gods genade.

Hij is bereid,

De kelk, de bitterheid van de dood

te drinken,

waarin de zonden van deze wereld

zijn gegoten en vreselijk stinken,

omdat het de lieve God behaagt.

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

23. Aria B 
Violino I/II, Organo, Continuo

Gerne will ich mich bequemen,
Kreuz und Becher anzunehmen,
Trink ich doch dem Heiland nach.
    Denn sein Mund,
    Der mit Milch und Honig fließet,
    Hat den Grund
    Und des Leidens herbe Schmach
    Durch den ersten Trunk versüßet.

Gaarne wil ik mij erin voegen ,

kruis en beker aan te nemen,

Als ik drink, volg ik de Heiland na.

Want zijn mond,

die van melk en honing vloeit,

heeft de aarde

en de bittere smaak van het lijden

door die eerste teug verzoet.

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png24

Und er kam zu seinen Jüngern und fand sie schlafend und sprach zu ihnen:
Könnet ihr denn nicht eine Stunde mit mir wachen? Wachet und betet, daß ihr nicht in Anfechtung fallet! Der Geist ist willig, aber das Fleisch ist schwach.
Zum andernmal ging er hin, betete und sprach: Mein Vater, ist's nicht möglich, daß dieser Kelch von mir gehe, ich trinke ihn denn, so geschehe dein Wille.

En hij kwam tot zijne jongeren en vond ze slapende, en zeide tot Petrus: Kunt gij dan niet één uur met mij waken? Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak. Ten tweeden male ging hij wederom heen, en bad en zeide: Mijn Vader, zo het niet mogelijk is, dat deze kelk van mij voorbijga, tenzij dat ik hem drinke, zo geschiede uw wil.

     

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png25

Was mein Gott will, das g'scheh allzeit,
Sein Will, der ist der beste,
Zu helfen den'n er ist bereit,
Die an ihn gläuben feste.
Er hilft aus Not, der fromme Gott,
Und züchtiget mit Maßen.
Wer Gott vertraut, fest auf ihn baut,
Den will er nicht verlassen.

Wat mijn God wil, geschied' altijd,
Zijn wil is steeds de beste.
Hij is altijd tot hulp bereid,
die vast op hem vertrouwen.
Hij helpt uit nood, de sterke God,
Hij tuchtigt, doch met mate.
Wie God vertrouwt, vast op Hem bouwt,
die zal Hij nooit verlaten.

     

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png26

Und er kam und fand sie aber schlafend, und ihre Augen waren voll Schlafs. Und er ließ sie und ging abermal hin und betete zum drittenmal und redete dieselbigen Worte. Da kam er zu seinen Jüngern und sprach zu ihnen:Ach! wollt ihr nun schlafen und ruhen? Siehe, die Stunde ist hie, daß des Menschen Sohn in der Sünder Hände überantwortet wird. Stehet auf, lasset uns gehen; siehe, er ist da, der mich verrät.


Und als er noch redete, siehe, da kam Judas, der Zwölfen einer, und mit ihm eine große Schar mit Schwerten und mit Stangen von den Hohenpriestern und Altesten des Volks. Und der Verräter hatte ihnen ein Zeichen gegeben und gesagt: ‘Welchen ich küssen werde, der ist's, den greifet!’ Und alsbald trat er zu Jesu und sprach: Gegrüßet seist du, Rabbi! Und küssete ihn. Jesus aber sprach zu ihm: Mein Freund, warum bist du kommen?

Da traten sie hinzu und legten die Hände an Jesum und griffen ihn.
 

 En hij kwam en vond hen wederom slapende; en hunne ogen waren vol slaap. En hij liet hen daar, en ging wederom heen en bad ten derden male, en sprak dezelfde woorden. Toen kwam hij tot zijne jongeren, en zeide: Wilt gij nu slapen en rusten? Ziet, de ure is gekomen, dat des Mensen Zoon zal overgeleverd worden in de handen der zondaren. Staat op, laat ons gaan! Ziet, hij is nabij, die mij verraadt.
En terwijl hij nog sprak, zie, toen kwam Judas, een der twaalven, en met hem een grote schare, met zwaarden en met stokken, van de Hogepriesters en Oudsten des volks. En de verrader had hun een teken gegeven, en gezegd: Wien ik kussen zal, die is het; grijpt dien. En terstond trad hij tot Jezus, en zeide: Wees gegroet, Rabbi! en kuste hem. Maar Jezus zeide tot hem: Vriend, waartoe zijt gij gekomen?

Toen traden zij toe, en sloegen de handen aan Jezus en grepen hem.

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

27a. Aria (Duetto) S A e Coro 
Flauto traverso I/II, Oboe I/II, Violino I/II, Viola, Organo, Continuo

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

27b. Cori 
Flauto traverso I/II, Oboe I/II, Violino I/II, Viola, Organo, Continuo

So ist mein Jesus nun gefangen.
    Lasst ihn, haltet, bindet nicht!
Mond und Licht
Ist vor Schmerzen untergangen,
Weil mein Jesus ist gefangen.
    Lasst ihn, haltet, bindet nicht!
Sie führen ihn, er ist gebunden.

 

Sind Blitze, sind Donner in Wolken verschwunden?
Eröffne den feurigen Abgrund, o Hölle,
Zertrümmre, verderbe, verschlinge, zerschelle
Mit plötzlicher Wut
Den falschen Verräter, das mördrische Blut!

Zo is mijn Jezus nu gevangen,

Laat hem los, stopt, boeit hem niet!

De maan en het licht
zijn van ellende ondergegaan

omdat mijn Jezus gevangen is

Laat hem los, stopt, boeit hem niet!

Ze leiden hem weg, hij is geboeid

 

Zijn bliksem en donder in de wolken verdwenen?

Open dan uw vurige afgrond, o hel,

vermorzel, vernietig, verslind en verpletter

met onverhoedse woede,

die valse verrader, dat moordzuchtig tuig!

 

 

 

 

28

Und siehe, einer aus denen, die mit Jesu waren, reckete die Hand aus und schlug des Hohenpriesters Knecht und hieb ihm ein Ohr ab. Da sprach Jesus zu ihm:
Stecke dein Schwert an seinen Ort; denn wer das Schwert nimmt, der soll durchs Schwert umkommen. Oder meinest du, daß ich nicht könnte meinen Vater bitten, daß er mir zuschickte mehr denn zwölf Legion Engel? Wie würde aber die Schrift erfüllet? Es muß also gehen.
Zu der Stund sprach Jesus zu den Scharen:
Ihr seid ausgegangen als zu einem Mörder, mit Schwerten und mit Stangen, mich zu fahen; bin ich doch täglich bei euch gesessen und habe gelehret im Tempel, und ihr habt mich nicht gegriffen. Aber das ist alles geschehen, daß erfüllet würden die Schriften
Da verließen ihn alle Jünger und flohen.
 

En zie, een van degenen die bij Jezus waren, strekte de hand uit en trok zijn zwaard, en sloeg des hogepriesters dienstknecht en hieuw hem het oor af. Toen zeide Jezus tot hem: Steek uw zwaard in zijne plaats; want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard omkomen. Of meent gij, dat ik mijnen Vader niet nu nog kan bidden, dat Hij mij meer dan twaalf legioenen Engelen toezende? Maar hoe zou dan de Schrift vervuld worden, die zegt dat het alzo geschieden moet? Te dier ure zeide Jezus tot de scharen: Gij zijt uitgegaan als tot een moordenaar, met zwaarden en met stokken, om mij gevangen te nemen; ik heb immers dagelijks bij u gezeten en geleerd in den tempel, en gij hebt mij niet gegrepen. Doch dit alles is geschied, opdat de schriften der profeten zouden vervuld worden. Toen verlieten hem al de jongeren en vloden.

     

29

O Mensch, bewein dein Sünde groß,
Darum Christus seins Vaters Schoß
Äußert und kam auf Erden;
Von einer Jungfrau rein und zart
Für uns er hie geboren ward,
Er wollt der Mittler werden.
Den Toten er das Leben gab
Und legt darbei all Krankheit ab,
Bis sich die Zeit herdrange,
Dass er für uns geopfert würd,
Trüg unsrer Sünden schwere Bürd
Wohl an dem Kreuze lange.

O mens, beween uw grote zonden:

Daarom verliet Christus zijns Vaders schoot

en kwam als mens op aarde.

Uit een reine maagd zo teer

werd hij voor ons een mens, de Heer,

De middelaar, dat wou hij wezen.

Doden riep Hij weer tot leven,

alom heeft Hij zieken genezen,

tot de tijd genaakte,

dat hij voor ons geofferd werd,

de last van onze zonden op zich nam

tot aan kruishout, eindeloos lang.

 

 

 

 

Zweiter Teil

 

 

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

30. Aria A e Coro 
Flauto traverso I, Violino I/II, Viola, Organo, Continuo

Ach! nun ist mein Jesus hin!
    Wo ist denn dein Freund hingegangen,
    O du Schönste unter den Weibern?
Ist es möglich, kann ich schauen?
    Wo hat sich dein Freund hingewandt?
Ach! mein Lamm in Tigerklauen,
Ach! wo ist mein Jesus hin?
    So wollen wir mit dir ihn suchen.
Ach! was soll ich der Seele sagen,
Wenn sie mich wird ängstlich fragen?
Ach! wo ist mein Jesus hin?

Ach! nu is mijn Jezus weg.

Waar is uw vriend dan heengegaan,

O gij schoonste onder de vrouwen ?

Is het mogelijk, kan ik dit aanzien?

Waar is uw vriend dan heengegaan ?

Ach! mijn lam in de klauwen van een tijger,

Ach! waar is mijn Jezus heen ?

Wij willen wel met u Hem zoeken.

Ach! wat moet ik mijn ziel zeggen,

als ze mij angstig zal vragen:

Ach! waar is mijn Jezus heen ?

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png31

Die aber Jesum gegriffen hatten, führeten ihn zu dem Hohenpriester Kaiphas, dahin die Schriftgelehrten und Ältesten sich versammlet hatten. Petrus aber folgete ihm nach von ferne bis in den Palast des Hohenpriesters und ging hinein und satzte sich bei die Knechte, auf daß er sähe, wo es hinaus wollte. Die Hohenpriester aber und Ältesten und der ganze Rat suchten falsche Zeugnis wider Jesum, auf daß sie ihn töteten, und funden keines.

 Die Jezus nu gegrepen hadden, leidden hem naar den hogepriester Kájafas, alwaar de Schriftgeleerden en de Oudsten vergaderd waren. En Petrus volgde hem van verre tot aan het paleis des hogepriesters, en ging binnen, en zette zich bij de dienaren, om te zien hoe het zou aflopen. En de Hogepriesters en de Oudsten en de gehele Raad zochten valse getuigenis tegen Jezus, opdat zij hem konden doden, maar zij vonden niets;

     

32

Mir hat die Welt trüglich gericht'
Mit Lügen und mit falschem G'dicht,
Viel Netz und heimlich Stricke.
Herr, nimm mein wahr in dieser G'fahr,
B'hüt mich für falschen Tücken!

Het recht der wereld heeft mij verraden,

met leugens, verzinsels en bedrog

in net en hinderlagen gelokt.

Heer, zie naar mij om in dit gevaar,

behoed mij voor valse listen!

     

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png33

Und wiewohl viel falsche Zeugen herzutraten, funden sie doch keins. Zuletzt traten herzu zween falsche Zeugen und sprachen: Er hat gesagt: Ich kann den Tempel Gottes abbrechen und in dreien Tagen denselben bauen. Und der Hohepriester stund auf und sprach zu ihm:
Antwortest du nichts zu dem, das diese wider dich zeugen?
Aber Jesus schwieg stille.
 

En hoewel er vele valse getuigen voortraden, vonden zij toch niets. Ten laatste kwamen er twee valse getuigen voor, en zeiden: Hij heeft gezegd: Ik kan den tempel Gods afbreken, en dien in drie dagen opbouwen. En de Hogepriester stond op en zeide tot hem: Antwoordt gij niets op hetgeen dezen tegen u getuigen?

Doch Jezus zweeg stil.

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

34. Recitativo T 
Oboe I/II, Viola da gamba, Organo, Continuo

Mein Jesus schweigt
Zu falschen Lügen stille,
Um uns damit zu zeigen,
Dass sein Erbarmens voller Wille
Vor uns zum Leiden sei geneigt,
Und dass wir in dergleichen Pein
Ihm sollen ähnlich sein
Und in Verfolgung stille schweigen.

Mijn Jezus zwijgt

Op valse leugens antwoordt hij niet,

Om ons daarmee te tonen,

Dat zijn ontfermingsrijke wil

Bereid is om voor ons te lijden

En dat wij in soortgelijke pijn

Op Hem zouden moeten lijken

door vervolging stil te ondergaan.

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

35. Aria T 
Viola da gamba, Organo, Continuo

Geduld!
Wenn mich falsche Zungen stechen.
    Leid ich wider meine Schuld
    Schimpf und Spott,
    Ei, so mag der liebe Gott
    Meines Herzens Unschuld rächen.

Geduld!

Als valse tongen mij steken.

Als ik buiten mijn schuld

hoon en spot lijd,

welnu, dan moge de lieve God

de onschuld mijns harten wreken.

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png36

Und der Hohepriester antwortete und sprach zu ihm: Ich beschwöre dich bei dem lebendigen Gott, daß du uns sagest, ob du seiest Christus, der Sohn Gottes? Jesus sprach zu ihm: Du sagest's. Doch sage ich euch: Von nun an wird's geschehen, daß ihr sehen werdet des Menschen Sohn sitzen zur Rechten der Kraft und kommen in den Wolken des Himmels.
Da zerriß der Hohepriester seine Kleider und sprach: Er hat Gott gelästert; was dürfen wir weiter Zeugnis? Siehe, itzt habt ihr seine Gotteslästerung gehöret. Was dünket euch?
Sie antworteten und sprachen: Er ist des Todes schuldig!
Da speieten sie aus in sein Angesicht und schlugen ihn mit Fäusten. Etliche aber schlugen ihn ins Angesicht und sprachen:
Weissage uns, Christe, wer ist's, der dich schlug?
 

 En de Hogepriester antwoordde en zeide tot hem: Ik bezweer u bij den levenden God, dat gij ons zegt of gij de Christus, de Zoon Gods, zijt? Jezus zeide tot hem: Gij zegt het. Doch ik zeg u: Van nu af zal het geschieden, dat gij des Mensen Zoon zult zien zitten ter rechterhand der kracht, en komen op de wolken des hemels.

Toen scheurde de Hogepriester zijne klederen, en zeide: Hij heeft God gelasterd; wat behoeven wij nog getuigen? Ziet, nu hebt gij zijne godslastering gehoord. Wat dunkt u?

En zij antwoordden, zeggende: Hij is des doods schuldig. Toen spuwden zij in zijn aangezicht, en gaven hem vuistslagen; en anderen sloegen hem in het aangezicht en zeiden: Profeteer ons, Christus, wie is het, die u sloeg?

     

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png37

Wer hat dich so geschlagen,
Mein Heil, und dich mit Plagen
So übel zugericht'?
Du bist ja nicht ein Sünder
Wie wir und unsre Kinder;
Von Missetaten weißt du nicht.

Wie heeft U zo geslagen,
waarom moet Gij verdragen
die bitterheid en pijn?
Gij zijt toch zonder zonde,
toch niet in ’t kwaad gebonden
als wij en onze kind’ren zijn.

     

38

Petrus aber saß draußen im Palast; und es trat zu ihm eine Magd und sprach: Und du warest auch mit dem Jesu aus Galiläa. Er leugnete aber vor ihnen allen und sprach: Ich weiß nicht, was du sagest. Als er aber zur Tür hinausging, sahe ihn eine andere und sprach zu denen, die da waren: Dieser war auch mit dem Jesu von Nazareth. Und er leugnete abermal und schwur dazu: Ich kenne des Menschen nicht.
Und über eine kleine Weile traten hinzu, die da stunden, und sprachen zu Petro: Wahrlich, du bist auch einer von denen; denn deine Sprache verrät dich. Da hub er an, sich zu verfluchen und zu schwören: Ich kenne des Menschen nicht. Und alsbald krähete der Hahn.

Da dachte Petrus an die Worte Jesu, da er zu ihm sagte: Ehe der Hahn krähen wird, wirst du mich dreimal verleugnen. Und ging heraus und weinete bitterlich.
 

En Petrus zat buiten in het hof; en ene dienstmaagd trad tot hem, zeggende: Gij waart ook bij Jezus van Galiléa. Maar hij loochende het voor hen allen, zeggende: Ik weet niet wat gij zegt. Doch toen hij uitging naar de voorpoort, zag hem ene andere, en zeide tot degenen die daar waren: Deze was ook bij Jezus van Nazaret. En hij loochende het nog eens, en zwoer daarop: Ik ken dien mens niet.

En kort daarna kwamen die daar stonden, en zeiden tot Petrus: Voorwaar, gij zijt ook een van die; want ook uwe spraak verraadt u. Toen begon hij zich te vervloeken en te zweren: Ik ken dien mens niet. En terstond kraaide de haan.

Toen gedacht Petrus aan Jezus' woorden, die hij tot hem gezegd had: Eer de haan kraaien zal, zult gij mij driemaal verloochenen. En hij ging naar buiten en weende bitterlijk

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

39. Aria A 
Violino concertante, Violino I/II, Viola, Organo, Continuo

Erbarme dich,
Mein Gott, um meiner Zähren willen!
    Schaue hier,
    Herz und Auge weint vor dir
    Bitterlich.

Erbarm u,
mijn God, omderwille van mijn tranen!

Zie toch,

hoe hart en oog voor u wenen

bitterlijk.

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

     

40

Bin ich gleich von dir gewichen,
Stell ich mich doch wieder ein;
Hat uns doch dein Sohn verglichen
Durch sein' Angst und Todespein.
Ich verleugne nicht die Schuld;
Aber deine Gnad und Huld
Ist viel größer als die Sünde,
Die ich stets in mir befinde.

Al ben ik van u afgedwaald

toch keer ik weer tot u;

Uw zoon heeft ons verzoend

door zijn angst en stervenspijn;

Ik ontken mijn schuld niet;

Maar uw goedertierenheid

is zoveel groter dan de zonde,

die ik steeds weer in mij aantref.

     

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png41

Des Morgens aber hielten alle Hohepriester und die Ältesten des Volks einen Rat über Jesum, daß sie ihn töteten. Und bunden ihn, führeten ihn hin und überantworteten ihn dem Landpfleger Pontio Pilato. Da das sahe Judas, der ihn verraten hatte, daß er verdammt war zum Tode, gereuete es ihn und brachte herwieder die dreißig Silberlinge den Hohenpriestern und Ältesten und sprach: Ich habe übel getan, daß ich unschuldig Blut verraten habe. Sie sprachen:Was gehet uns das an? Da siehe du zu! Und er warf die Silberlinge in den Tempel, hub sich davon, ging hin und erhängete sich selbst. Aber die Hohenpriester nahmen die Silberlinge und sprachen: Es taugt nicht, daß wir sie in den Gotteskasten legen, denn es ist Blutgeld.
 

Des morgens nu hielden al de Hogepriesters en de Oudsten des volks raad over Jezus, om hem te doden. En zij bonden hem, leidden hem heen, en leverden hem over aan den landvoogd Pontius Pilatus. Toen Judas, die hem verraden had, zag, dat hij ter dood veroordeeld was, berouwde het hem, en hij bracht de dertig zilverlingen aan de Hogepriesters en de Oudsten weder, zeggende: Ik heb gezondigd, dat ik onschuldig bloed verraden heb. Maar zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? Zie gij toe! En hij wierp de zilverlingen in den tempel en scheidde van daar, en ging heen en verhing zich. De Hogepriesters nu namen de zilverlingen, en zeiden: Het is niet geoorloofd, dat wij die in de godskist leggen, want het is bloedgeld

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

42. Aria B 
Violino concertante, Violino I/II, Viola, Organo, Continuo

Gebt mir meinen Jesum wieder!
    Seht, das Geld, den Mörderlohn,
    Wirft euch der verlorne Sohn
    Zu den Füßen nieder!

Geef mij mijn Jezus terug !

Hier is het geld, het moordenaarsloon,

dat de verloren Zoon

u voor de voeten werpt.

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png43

Sie hielten aber einen Rat und kauften einen Töpfersacker darum zum Begräbnis der Pilger. Daher ist derselbige Acker genennet der Blutacker bis auf den heutigen Tag. Da ist erfüllet, das gesagt ist durch den Propheten Jeremias, da er spricht: “Sie haben genommen dreißig Silberlinge, damit bezahlet ward der Verkaufte, welchen sie kauften von den Kindern Israel, und haben sie gegeben um einen Töpfersacker, als mir der Herr befohlen hat.”

Jesus aber stund vor dem Landpfleger; und der Landpfleger fragte ihn und sprach:
Bist du der Jüden König?
Jesus aber sprach zu ihm:
Du sagest's.
Und da er verklagt war von den Hohenpriestern und Ältesten, antwortete er nichts. Da sprach Pilatus zu ihm:
Hörest du nicht, wie hart sie dich verklagen?
Und er antwortete ihm nicht auf ein Wort, also, daß sich auch der Landpfleger sehr verwunderte.
 

 En zij hielden raad, en kochten daarvoor den akker eens pottenbakkers, tot ene begrafenis voor vreemdelingen. Daarom is deze akker genaamd de Bloedakker, tot op den dag van heden. Toen is vervuld hetgeen gezegd is door den profeet Jeremia, zeggende: "Zij hebben dertig zilverlingen genomen, waarmede de verkochte betaald werd, welken zij kochten van de kinderen Israëls, en hebben ze gegeven voor den akker eens pottenbakkers, gelijk de Heer mij bevolen heeft". En Jezus stond voor den landvoogd; en de landvoogd vraagde hem, zeggende: Zijt gij de koning der Joden? En Jezus zeide tot hem: Gij zegt het. En toen hij beschuldigd werd door de Hogepriesters en de Oudsten, antwoordde hij niets. Toen zeide Pilatus tot hem: Hoort gij niet hoe zwaar zij u beschuldigen? Maar hij antwoordde hem niet op één woord, zodat de landvoogd zich zeer verwonderde.

     

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png44

Befiehl du deine Wege
Und was dein Herze kränkt
Der allertreusten Pflege
Des, der den Himmel lenkt.
Der Wolken, Luft und Winden
Gibt Wege, Lauf und Bahn,
Der wird auch Wege finden,
Da dein Fuß gehen kann.

Beveel gerust uw wegen,
al wat u 't harte deert,
der trouwe hoed' en zegen
van Hem, die 't al regeert.
Die wolken, lucht en winden
wijst spoor en loop en baan,
zal ook wel wegen vinden,
waarlangs uw voet kan gaan.

     

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png45

Auf das Fest aber hatte der Landpfleger Gewohnheit, dem Volk einen Gefangenen loszugeben, welchen sie wollten. Er hatte aber zu der Zeit einen Gefangenen, einen sonderlichen vor andern, der hieß Barrabas. Und da sie versammlet waren, sprach Pilatus zu ihnen: Welchen wollet ihr, daß ich euch losgebe? Barrabam oder Jesum, von dem gesaget wird, er sei Christus? Denn er wußte wohl, daß sie ihn aus Neid über-antwortet hatten.

Und da er auf dem Richtstuhl saß, schickete sein Weib zu ihm und ließ ihm sagen: Habe du nichts zu schien mit diesem Gerechten; ich habe heute viel erlitten im Traum von seinetwegen!
Aber die Hohenpriester und die Ältesten überredeten das Volk, daß sie um Barrabas bitten sollten und Jesum umbrächten. Da antwortete nun der Landpfleger und sprach zu ihnen:Welchen wollt ihr unter diesen zweien, den ich euch soll losgeben?Sie sprachen: Barrabam!
Pilatus sprach zu ihnen: Was soll ich denn machen mit Jesu, von dem gesagt wird, er sei Christus? Sie sprachen alle: Laß ihn kreuzigen!
 

 En op het feest was de landvoogd gewoon aan het volk een gevangene los te geven, wien zij wilden. En te dien tijde hadden zij een beruchten gevangene, genaamd Barabbas. En toen zij vergaderd waren, zeide Pilatus tot hen: Wien wilt gij, dat ik u zal losgeven, Barabbas, of Jezus, die gezegd wordt, dat hij de Christus is? Want hij wist wel, dat zij hem uit nijdigheid hadden overgeleverd.

 

En toen hij op den rechterstoel zat, zond zijne huisvrouw tot hem, en liet hem zeggen: Heb niets te doen met dezen rechtvaardige, want ik heb heden om zijnentwil veel geleden in den droom.

Maar de Hogepriesters en de Oudsten stookten het volk op, dat zij Barabbas zouden eisen, en Jezus doden. Toen antwoordde de landvoogd en zeide tot hen: Wien van deze twee wilt gij, dat ik u zal losgeven? En zij zeiden: Barabbas.

Pilatus zeide tot hen: Wat zal ik dan doen met Jezus, die gezegd wordt dat hij de Christus is? Zij zeiden allen: Laat hem kruisigen.

     

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png46

Wie wunderbarlich ist doch diese Strafe!
Der gute Hirte leidet für die Schafe,
Die Schuld bezahlt der Herre, der Gerechte,
Für seine Knechte.

Hoe vreemd, dat voor de schapen zijner weide

de herder zelf ter slachtbank zich liet leiden,

de heer zich voro de schulden zijner knechten

aan 't kruis liet hechten

     

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png47

Der Landpfleger sagte: Was hat er denn Übels getan?

 

 Doch de landvoogd zeide: Wat kwaads heeft hij dan gedaan?

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png48. Recitativo S 
Oboe da caccia I/II, Organo, Continuo

Er hat uns allen wohlgetan,

Den Blinden gab er das Gesicht,

Die Lahmen macht er gehend,

Er sagt uns seines Vaters Wort,

Er trieb die Teufel fort,

Betrübte hat er aufgericht',

Er nahm die Sünder auf und an.

Sonst hat mein Jesus nichts getan.

Hij heeft ons allen welgedaan,

Blinden gaf Hij het gezicht,

Verlamden liet Hij lopen,

Hij bracht ons het woord van zijn Vader,

Hij dreef de duivelen uit,

Bedroefden heeft Hij opgericht,

Hij trok zich het lot van zondaars aan.

Iets anders heeft mijn Jezus niets gedaan.

 

 

 

49. Aria S 
Flauto traverso solo, Oboe da caccia I/II

Aus Liebe will mein Heiland sterben,
Von einer Sünde weiß er nichts.
    Dass das ewige Verderben
    Und die Strafe des Gerichts
    Nicht auf meiner Seele bliebe.

Uit liefde wil mijn Heiland sterven,

Met zonde heeft hij niets van doen.

Dat het eeuwige verderf

En de straf van het gericht

niet op mijn ziel zou blijven rusten.

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

50

Sie schrieen aber noch mehr und sprachen: Laß ihn kreuzigen!
Da aber Pilatus sahe, daß er nichts schaffete, sondern daß ein viel großer Getümmel ward, nahm er Wasser und wusch die Hände vor dem Volk und sprach: Ich bin unschuldig an dem Blut dieses Gerechten, sehet ihr zu!

Da antwortete das ganze Volk und sprach: Sein Blut komme über uns und unsre Kinder.
Da gab er ihnen Barrabam los; aber Jesum ließ er geißeln und überantwortete ihn, daß er gekreuziget würde.
 

Maar zij riepen te meer, zeggende: Laat hem kruisigen!

Toen nu Pilatus zag, dat hij niets vorderde, maar dat er veelmeer een oproer kwam, nam hij water en wies de handen voor het volk, zeggende: Ik ben onschuldig aan het bloed van dezen rechtvaardige; ziet gij toe!

Toen antwoordde al het volk en zeide: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen!

Toen gaf hij hun Barabbas los, maar Jezus liet hij geeselen, en leverde hem over om gekruisigd te worden.

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

51. Recitativo A 
Violino I/II, Viola, Organo, Continuo

Erbarm es Gott!
Hier steht der Heiland angebunden.
O Geißelung, o Schläg, o Wunden!
Ihr Henker, haltet ein!
Erweichet euch
Der Seelen Schmerz,
Der Anblick solches Jammers nicht?
Ach ja! ihr habt ein Herz,
Das muss der Martersäule gleich
Und noch viel härter sein.
Erbarmt euch, haltet ein!

Heb toch medelijden, God !

Hier staat de Heiland, vastgebonden.

O geseling, o slagen, o wonden !

gij beulen, stop ermee!

Vermurwt u

de zielesmart,

de aanblik van zulk lijden, dan niet?

Ach ja ! gij hebt een hart,

zo hard als de martelzuil

ja nog veel harder moet het zijn;

Erbarm u, stop ermee!

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

52. Aria A 
Violino I/II, Organo, Continuo

Können Tränen meiner Wangen
Nichts erlangen,
O, so nehmt mein Herz hinein!
    Aber lasst es bei den Fluten,
    Wenn die Wunden milde bluten,
    Auch die Opferschale sein!

Als de tranen van mijn wangen

Niets meer kunnen uitrichten,

O, neem dan mijn hart erbij.

Maar laat bij het vloeien,

als de wonden zachtjes bloeden,

mijn hart dan ook de offerschaal zijn.

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

53

Da nahmen die Kriegsknechte des Landpflegers Jesum zu sich in das Richthaus und sammleten über ihn die ganze Schar und zogen ihn aus und legeten ihm einen Purpurmantel an und flochten eine dornene Krone und satzten sie auf sein Haupt und ein Rohr in seine rechte Hand und beugeten die Knie vor ihm und spotteten ihn und sprachen:
Gegrüßet seist du, Jüdenkönig!
Und speieten ihn an und nahmen das Rohr und schlugen damit sein Haupt.
 

Toen namen de krijgsknechten van den landvoogd Jezus met zich in het rechthuis, en vergaderden tegen hem de gehele schare. En zij ontkleedden hem, en deden hem een purperen mantel om, en vlochten ene kroon van doornen, en zetten die op zijn hoofd, en gaven hem een rietstok in zijne rechterhand; en zij bogen de knieën voor hem, en bespotten hem, zeggende: Wees gegroet, koning der Joden! En zij spuwden op hem, en namen den rietstok en sloegen daarmede op zijn hoofd.

     

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png54

O Haupt voll Blut und Wunden,
Voll Schmerz und voller Hohn,
O Haupt, zu Spott gebunden
Mit einer Dornenkron,
O Haupt, sonst schön gezieret
Mit höchster Ehr und Zier,
Jetzt aber hoch schimpfieret,
Gegrüßet seist du mir!

Du edles Angesichte,
Dafür sonst schrickt und scheut
Das große Weltgerichte,
Wie bist du so bespeit;
Wie bist du so erbleichet!
Wer hat dein Augenlicht,
Dem sonst kein Licht nicht gleichet,
So schändlich zugericht'?

 

O hoofd vol bloed en wonden,

bedekt met smaad en hoon,

o hoofd zo wreed geschonden,

uw kroon een doornenkroon,

O hoofd eens schoon en heerlijk

en stralend als de dag,

hoe lijdt Gij nu zo deerlijk!

Ik groet U vol ontzag.

 

O hoofd, zo hoog verheven

o goddelijke gelaat,

waar werelden voor beven,

hoe bitter is uw smaad!

Gij, eens in 't licht geheven,

door engelen omstuwd

wie heeft u zo geslagen

gelasterd en gespuwd?

     

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png55

Und da sie ihn verspottet hatten, zogen sie ihm den Mantel aus und zogen ihm seine Kleider an und führeten ihn hin, daß sie ihn kreuzigten. Und indem sie hinausgingen, funden sie einen Menschen von Kyrene mit Namen Simon; den zwungen sie, daß er ihm sein Kreuz trug.

En toen zij hem bespot hadden, deden zij hem den mantel af, en trokken hem zijne klederen aan, en leidden hem heen om hem te kruisigen. En toen zij uitgingen, vonden zij een mens van Cyrene, genaamd Simon; dezen dwongen zij, om zijn kruis te dragen.  

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

56. Recitativo B 
Flauto traverso I/II, Viola da gamba, Organo, Continuo

Ja freilich will in uns das Fleisch und Blut
Zum Kreuz gezwungen sein;
Je mehr es unsrer Seele gut,
Je herber geht es ein.

Je het is waar: In ons moet ons vlees en bloed

tot het kruis gedwongen worden;

Hoe meer het onze ziel goeddoet

des te harder gaat het eraan toe.

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

57. Aria B 
Viola da gamba sola, Organo, Continuo

Komm, süßes Kreuz, so will ich sagen,
Mein Jesu, gib es immer her!
    Wird mir mein Leiden einst zu schwer,
    So hilfst du mir es selber tragen.

Kom, zoet kruis, dat wil ik zeggen,

Mijn Jezus, geef het altijd maar!

Wordt mijn lijden mij ooit te zwaar,

dan helpt gij zelve mij om het te dragen.

 

 

 

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png58

Und da sie an die Stätte kamen mit Namen Golgatha, das ist verdeutschet Schädelstätt, gaben sie ihm Essig zu trinken mit Gallen vermischet; und da er's schmeckete, wollte er's nicht trinken. Da sie ihn aber gekreuziget hatten, teilten sie seine Kleider und wurfen das Los darum, auf daß erfüllet würde, das gesagt ist durch den Propheten: “Sie haben meine Kleider unter sich geteilet, und über mein Gewand haben sie das Los geworfen.” Und sie saßen allda und hüteten sein. Und oben zu seinen Häupten hefteten sie die Ursach seines Todes beschrieben, nämlich: “Dies ist Jesus, der Jüden König.”

 

Und da wurden zween Mörder mit ihm gekreuziget, einer zur Rechten und einer zur Linken. Die aber vorübergingen, lästerten ihn und schüttelten ihre Köpfe und sprachen: Der du den Tempel Gottes zerbrichst und bauest ihn in dreien Tagen, hilf dir selber! Bist du Gottes Sohn, so steig herab vom Kreuz! Desgleichen auch die Hohenpriester spotteten sein samt den Schriftgelehrten und Ältesten und sprachen: Andern hat er geholfen und kann ihm selber nicht helfen. Ist er der König Israel, so steige er nun vom Kreuz, so wollen wir ihm glauben. Er hat Gott vertrauet, der erlöse ihn nun, lüstet's ihn; denn er hat gesagt: Ich bin Gottes Sohn. Desgleichen schmäheten ihn auch die Mörder, die mit ihm gekreuziget waren.
 

 En toen zij kwamen aan de plaats, genaamd Golgotha, dat is vertaald: Hoofdschedelplaats, gaven zij hem edik met gal gemengd te drinken; en toen hij dien proefde, wilde hij niet drinken. Toen zij hem nu gekruisigd hadden, deelden zij zijne klederen, en wierpen het lot daarover, opdat vervuld werd hetgeen gezegd is door den profeet: "Zij hebben mijne klederen onder zich gedeeld, en over mijn gewaad hebben zij het lot geworpen". En zij zaten aldaar, en hielden de wacht bij hem. En boven zijn hoofd hechtten zij de oorzaak van zijne doodstraf, aldus geschreven: Deze is Jezus, de koning der Joden.

En twee moordenaars werden met hem gekruisigd, één ter rechter hand en één ter linkerhand. En die voorbijgingen lasterden hem, en schudden hunne hoofden, zeggende: Gij, die den tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, help uzelven! Zijt gij Gods Zoon, zo klim af van het kruis! Desgelijks bespotten hem ook de Hogepriesters met de Schriftgeleerden en de Oudsten, en zeiden: Anderen heeft hij geholpen, en kan zichzelven niet helpen. Is hij Israëls koning, zo klimme hij nu af van het kruis, dan zullen wij hem geloven. Hij heeft op God vertrouwd; die verlosse hem nu, indien Hij behagen in hem heeft; want hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon! Desgelijks beschimpten hem ook de moordenaars, die met hem gekruisigd waren.

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

59. Recitativo A 
Oboe da caccia I/II, Violoncello, Organo, Continuo

Ach Golgatha, unselges Golgatha!
Der Herr der Herrlichkeit muss schimpflich hier verderben
Der Segen und das Heil der Welt
Wird als ein Fluch ans Kreuz gestellt.
Der Schöpfer Himmels und der Erden
Soll Erd und Luft entzogen werden.
Die Unschuld muss hier schuldig sterben,
Das gehet meiner Seele nah;
Ach Golgatha, unselges Golgatha!

Ach Golgotha, onzalig Golgotha !

De heer der heerlijkheid moet hier smadelijk tenonder gaan,

De zegen en het heil van de wereld

wordt als een vloek aan het kruis geslagen.

De Schepper van hemel en aarde

Moet aarde en lucht ontnomen worden.

De onschuld moet hier schuldig sterven,

Dat snijdt mij door de ziel;

Ach Golgotha, onzalig Golgotha !

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

60. Aria A e Coro 
Oboe I/II, Oboe da caccia I/II, Violino I/II, Viola, Organo, Continuo

Sehet, Jesus hat die Hand,          [extra info]
Uns zu fassen, ausgespannt,
Kommt! - Wohin? - in Jesu Armen
Sucht Erlösung, nehmt Erbarmen,
Suchet! - Wo? - in Jesu Armen.
Lebet, sterbet, ruhet hier,
Ihr verlass'nen Küchlein ihr,
Bleibet - Wo? - in Jesu Armen.

Ziet, Jezus strekt z’n hand uit

om ons vast te pakken,

Komt ! – Waarheen? – in Jezus armen

zoekt daar verlossing, aanvaardt het erbarmen,

zoekt ! – Waar ? – in Jezus armen.

Leeft, sterft, rust hier

gij verlaten kuikentjes, gij,

Blijft ! – Waar ? – In Jezus armen.

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png61

Und von der sechsten Stunde an war eine Finsternis über das ganze Land bis zu der neunten Stunde. Und um die neunte Stunde schriee Jesus laut und sprach:
Eli, Eli, lama asabthani?
Das ist: Mein Gott, mein Gott, warum hast du mich verlassen? Etliche aber, die da stunden, da sie das höreten, sprachen sie: Der rufet dem Elias! Und bald lief einer unter ihnen, nahm einen Schwamm und füllete ihn mit Essig und steckete ihn auf ein Rohr und tränkete ihn. Die andern aber sprachen: Halt! laß sehen, ob Elias komme und ihm helfe?
Aber Jesus schriee abermal laut und verschied.
 

En van de zesde ure af ontstond er ene duisternis over het gehele land, tot de negende ure toe. En omtrent de negende ure riep Jezus met ene luide stem, zeggende:

Eli, Eli, lama asabthani!

dat is: mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten? En sommigen van degenen, die daar stonden, dit horende, zeiden: Hij roept Elía. En terstond liep er een van hen heen, nam ene spons en vulde ze met edik, en stak ze op een rietstok, en gaf hem te drinken. Maar de anderen zeiden: Houd op, laat ons zien, of Elía komt, om hem te helpen.

En Jezus riep nog eens met ene luide stem, en gaf den geest

     

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png62

Wenn ich einmal soll scheiden,
So scheide nicht von mir,
Wenn ich den Tod soll leiden,
So tritt du denn herfür!
Wenn mir am allerbängsten
Wird um das Herze sein,
So reiß mich aus den Ängsten
Kraft deiner Angst und Pein!

Wanneer ik eens moet heengaan,

ga Gij niet van mij heen,

laat mij dan niet alleen gaan,

nie tin de dood alleen.

Wees in mijn laatste lijden,

mijn doodsangst, mij nabij;

o God, sta mij terzijde,

die lijdt en sterft voor mij.

     

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png63

Und siehe da, der Vorhang im Tempel zerriß in zwei Stück von oben an bis unten aus. Und die Erde erbebete, und die Felsen zerrissen, und die Gräber täten sich auf, und stunden auf viel Leiber der Heiligen, die da schliefen, und gingen aus den Gräbern nach seiner Auferstehung und kamen in die heilige Stadt und erschienen vielen. Aber der Hauptmann und die bei ihm waren und bewahreten Jesum, da sie sahen das Erdbeben und was da geschah, erschraken sie sehr und sprachen:
Wahrlich, dieser ist Gottes Sohn gewesen.
Und es waren viel Weiber da, die von ferne zusahen, die da waren nachgefolget aus Galiläa und hatten ihm gedienet, unter welchen war Maria Magdalena und Maria, die Mutter Jacobi und Joses, und die Mutter der Kinder Zebedäi. Am Abend aber kam ein reicher Mann von Arimathia, der hieß Joseph, welcher auch ein Jünger Jesu war, der ging zu Pilato und bat ihn um den Leichnam Jesu. Da befahl Pilatus, man sollte ihm ihn geben.
 

En zie, het voorhangsel in den tempel scheurde in tweeën, van boven tot beneden; en de aarde beefde, en de steenrotsen scheurden, en de graven openden zich, en vele lichamen der heiligen, die ontslapen waren, stonden op, en gingen uit de graven, na zijne opstanding, en kwamen in de heilige stad, en verschenen aan velen. De hoofdman nu, en die bij hem waren en bij Jezus de wacht hielden, ziende de aardbeving en wat geschiedde, verschrikten zeer en zeiden: Waarlijk, deze was Gods Zoon!

En daar waren vele vrouwen, die van verre toezagen, die Jezus gevolgd waren uit Galiléa, en hem gediend hadden; onder welke was Maria Magdalena, en Maria de moeder van Jakobus en Joses, en de moeder der zonen van Zebedeüs. Des avonds nu kwam een rijk man van Arimathéa, genaamd Jozef, die ook een jonger van Jezus was. Deze ging tot Pilatus en verzocht hem om het lichaam van Jezus. Toe gebood Pilatus, dat het hem gegeven zou worden.

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

 

64. Recitativo B 
Violino I/II, Viola, Organo, Continuo

Am Abend, da es kühle war,           [extra info]
Ward Adams Fallen offenbar;
Am Abend drücket ihn der Heiland nieder.
Am Abend kam die Taube wieder
Und trug ein Ölblatt in dem Munde.
O schöne Zeit! O Abendstunde!
Der Friedensschluss ist nun mit Gott gemacht,
Denn Jesus hat sein Kreuz vollbracht.
Sein Leichnam kömmt zur Ruh,
Ach! liebe Seele, bitte du,
Geh, lasse dir den toten Jesum schenken,
O heilsames, o köstlichs Angedenken!

Des avonds, het was al kil,

kwam Adam's val aan het licht ;

Des avonds krijgt de Heiland hem eronder.

Des avonds kwam de duif weerom

met een blad van de olijfboom in de mond.

O schone tijd ! O avondstonde !

Er is nu vrede gesloten, met God,

want Jezus heeft zijn kruis volbracht.

Zijn lichaam komt tot rust,

Ach! lieve ziel, alsjeblieft,

ga nu, en laat je de dode Jezus schenken ,

o, wat een heilzaam, kostbaar aandenken!

 

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

65. Aria B 
Oboe da caccia I/II, Violino I/II, Viola, Organo, Continuo

Mache dich, mein Herze, rein,
Ich will Jesum selbst begraben.

Denn er soll nunmehr in mir
Für und für
Seine süße Ruhe haben.
Welt, geh aus, lass Jesum ein!

Maak u klaar, mijn hart, maak u rein:

ik wil Jezus zelf begraven.

Hij zal vanaf nu in mij

en dat voor altijd

zijn zoete rust vinden.

Wereld, Eruit! Laat Jezus binnen!

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png66

Und Joseph nahm den Leib und wickelte ihn in ein rein Leinwand und legte ihn in sein eigen neu Grab, welches er hatte lassen in einen Fels hauen, und wälzete einen großen Stein vor die Tür des Grabes und ging davon. Es war aber allda Maria Magdalena und die andere Maria, die satzten sich gegen das Grab.

Des andern Tages, der da folget nach dem Rüsttage, kamen die Hohenpriester und Pharisäer sämtlich zu Pilato und sprachen: Herr, wir haben gedacht, daß dieser Verführer sprach, da er noch lebete: Ich will nach dreien Tagen wieder auferstehen. Darum befiehl, daß man das Grab verwahre bis an den dritten Tag, auf daß nicht seine Jünger kommen und stehlen ihn und sagen zu dem Volk: Er ist auferstanden von den Toten, und werde der letzte Betrug ärger denn der erste!
Pilatus sprach zu ihnen: Da habt ihr die Hüter; gehet hin und verwahret's, wie ihr's wisset!
Sie gingen hin und verwahreten das Grab mit Hütern und
versiegelten den Stein.
 

En Jozef nam het lichaam, en wond het in een rein lijnwaad, en leide het in zijn eigen nieuw graf, hetwelk hij in ene steenrots had laten uithouwen, en wentelde een groten steen voor den ingang des grafs, en ging van daar. En aldaar was Maria Magdalena en de andere Maria; die zetten zich tegenover het graf.

Des anderen daags, die op den dag der toerusting volgt, kwamen de Hogepriesters en de Farizeën te zamen tot Pilatus, zeggende: Heer, wij herinneren ons, dat deze verleider, toen hij nog leefde, gezegd heeft: Ik zal na drie dagen opstaan. Beveel dan, dat men het graf bewake tot den derden dag, opdat zijne jongeren misschien niet bij nacht komen en hem stelen, en tot het volk zeggen: Hij is opgestaan van de doden. Zo zou de laatste bedriegerij erger worden dan de eerste. En Pilatus zeide tot hen: Daar hebt gij de wachters; gaat heen, en bewaakt het, zo goed gij het verstaat.

En zij gingen heen, en bewaakten het graf met wachters, en verzegelden den steen.
 

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

67. Recitativo B T A S e Coro 
Flauto traverso I/II, Oboe I/II, Violino I/II, Viola, Organo, Continuo

Bass
Nun ist der Herr zur Ruh gebracht.
Mein Jesu, gute Nacht!
Evangelist
Die Müh ist aus, die unsre Sünden ihm gemacht.
Mein Jesu, gute Nacht!
Alt
O selige Gebeine,
Seht, wie ich euch mit Buß und Reu beweine,
Dass euch mein Fall in solche Not gebracht!
Mein Jesu, gute Nacht!
Sopran
Habt lebenslang
Vor euer Leiden tausend Dank,
Dass ihr mein Seelenheil so wert geacht'.
    
Mein Jesu, gute Nacht!


Nu is de Heer te ruste gelegd

Mijn Jezus, goede nacht !

 

De moeite, door onze zonden veroorzaakt, is voorbij

Mijn Jezus, goede nacht !

 

O zalig gebeente,

zie, hoe ik u met boete en berouw beween,

dat mijn val u in zulke grote nood gebracht heeft.

Mijn Jezus, goede nacht !

 

Mijn levenlang

zij voor uw lijden duizendmaal dank

dat u mijn zieleheil zoveel hebt waard geacht.

Mijn Jezus, goede nacht !

 

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png

 

 

//webdocs.cs.ualberta.ca/~wfb/cantatas/clear.png68

Wir setzen uns mit Tränen nieder
Und rufen dir im Grabe zu:
Ruhe sanfte, sanfte ruh!
Ruht, ihr ausgesognen Glieder!
Euer Grab und Leichenstein
Soll dem ängstlichen Gewissen
Ein bequemes Ruhekissen
Und der Seelen Ruhstatt sein.
Höchst vergnügt schlummern da die Augen ein.

Wij zetten ons met tranen neder

en roepen in het graf U toe:

Rust in vrede, rust nu zacht!

Rust, gij afgetobde leden!

Voortaan zal uw grafgesteente

voor het angstige geweten

een behagelijke peluw

en voor de ziel een kussen zijn.

Volledig verzadigd gaan de sluimerende ogen toe.

 

 

Home cantates varia biografie


Dick Wursten (dick@wursten.be)