BWV 156 — Ich steh mit einem Fuß im Grabe
- Eerste uitvoering: Leipzig, 23 januari 1729 (3de zondag na Epifanie)
- Evangelielezing: Matteüs 8: 1-13 (een ‘melaatse' vraagt Jezus om genezing, maar voegt: enkel wanneer gij dat wilt...
- Tekstschrijver: C. F. Henrici (Picander) neemt deze opvallende bescheiden toevoeging van de melaatse als thema voor zijn tekstcompositie: Zo gij wilt..., uw wil geschiede... In de eerste aria (nr. 2) wordt het thema al kort even aangeraakt, maar van vanaf het recitatief (nr. 3) komt het nadrukkelijk op het voorplan. Van danaf is het niet meer weg te denken. Picander betrekt het op de ars moriendi (de kunst van het sterven). Als er lichamelijk geleden moet worden, zo vraagt de gelovige, laat mij het dan dragen, en laat het kort zijn; En als ik gezond mag blijven (waarvoor dank!), behoed dan mijn ziel voor 'ziekte', en dan denkt hij daarbij niet aan allerlei psychologische kwalen, maar aan de ziekte tot de dood, een zodanige geïnterioriseerde zelfzuchtige levensstijl dat God niet anders kan dan zo'n mens in het laatse oordeel terecht te wijzen. Alles wat Picander te zeggen heeft, wordt gezegd in de twee recitatieven die bas-aria (nrs. 3-4-5) omlijsten: Zij vormen inhoudelijk dan ook één geheel. Dat wil zeggen: Nr. 2 is de voorbereiding, nr. 6 het amen.
- Muziek: De sinfonia waarmee deze korte
cantate opent, is waarschijnlijk ontleend aan een verloren gegaan
hobo-concert (het langzame deel), later nogmaals gearrangeerd voor het
clavecimbelconcert in fa-klein (BWV 1056). In de eerste aria vervlecht
de tekstschrijver (en dus ook Bach) de vrije tekst (ik sta met
één voet in het graf...) met een bekend 'stervenskoraal': Mach's
mit mir, Gott, nach deiner Güte (J.H. Schein), gezongen door
de sopraan (de ziel). Het moet tegenwicht bieden tegen de gang van de
mens, die het graf in sukkelt. Bach laat in de melodie die hij heeft
gevonden de tenor wel 'staan', maar onder hem zakt alles in
elkaar.

Het slotkoraal is een tekst van Kaspar Bienemann (1582), op een oude Straatsburgse melodie (Wolfgang Dachstein, 1525). Dat lied vat perfect het thema samen. Het is het enige deel dat vierstemmig gezet is. Bedenk overigens, dat Bach geen solisten en een koor had, maar alleen maar geoefende zangers (de muziekopleiding aan de Thomasschool was een hoofdvak!). De jongens namen alle zangpartijen voor hun rekening, 4 was genoeg, 8 was royaal.
| 1. Sinfonia | |
| 2. Aria (S, T) | |
| Ich steh mit einem Fuß im Grabe, Mach’s mit mir, Gott, nach
deiner Güt,
bald fällt der kranke Leib hinein. hilf mir in meinem Leiden,
Komm, lieber Gott, wenn dir’s gefällt, was ich dich bitt', versag
mir nicht.
ich habe schon mein Haus bestellt, Wenn sich mein Seel soll
scheiden,
nur laß mein Ende selig sein!so nimm sie, Herr, in deine Händ. Ist alles gut, wenn gut das
End.
|
Ik sta met één voet in het graf, Doe met mij, God, wat u
goeddunkt,
weldra valt mijn zieke lijf erin. help mij in mijn lijden,
Kom, lieve God, als het u behaagt, wat ik u smeek, laat mij
niet in de steek.
ik heb mijn (levens)huis al op orde gebracht, Als mijn ziel zich van mij
zal scheiden
laat toch mijn einde zalig zijn!neem die dan, Heer, in uwe handen. All's Well That Ends Well.
|
| 3. Recitatief (B) | |
| Mein Angst und Not, mein Leben und mein Tod steht, liebster Gott, in deinen Händen; so wirst du auch auf mich dein gnädig Auge wenden. Willst du mich meiner Sünden wegen ins Krankenbette legen, mein Gott, so bitt ich dich, laß deine Güte größer sein als die Gerechtigkeit! Doch hast du mich darzu versehn, daß mich mein Leiden soll verzehren, ich bin bereit, dein Wille soll an mir geschehn, verschone nicht und fahre fort, laß meine Not nicht lange währen, je länger hier, je später dort! |
Mijn angst en nood, mijn leven en mijn dood liggen, lieve God, in uw handen; Zo zult gij ook wel op mij uw genadig oog richten. Wanneer gij omwille van mijn zonden mijn naar het ziekbed verwijst, dan smeek ik u, mijn God, laat uw goedheid groter zijn dan de gerechtigheid! Maar als gij voor mij hebt voorzien, dat mijn lijden mij moet verteren, dan ben ik bereid, uw wil geschiede aan mij, spaar mij niet, ga verder, laat mijn nood niet lang duren: hoe langer hier, hoe later ginds! |
| 4. Aria (A) | |
| Herr, was du willt, soll mir gefallen, weil doch dein Rat am besten gilt. In der Freude, in dem Leide,
im Sterben, in Bitten und in Flehn laß mir allemal geschehn, Herr, wie du willt. |
Heer, wat gij wilt, dat
moet ook mij bevallen, want uw beslissing is de beste. In vreugde en in lijden,
in sterven, in bidden en in smeken, laat daarin alles geschieden Heer, zoals gij het wilt. |
| 5. Recitatief (B) | |
| Und willst du, daß ich nicht soll kranken, so werd ich dir von Herzen danken. Doch aber gib mir auch dabei, daß auch in meinem frischen Leibe die Seele sonder Krankheit sei und allezeit gesund verbleibe. Nimm sie durch Geist und Wort in acht, denn dieses ist mein Heil, und wenn mir Leib und Seel verschmacht’, so bist du, Gott, mein Trost und meines Herzens Teil. |
En wilt ge dat ik niet
ziek moet worden, dan zal ik u van harte danken. Maar geef mij daar dan ook bij dat ook in een 'gezond lichaam' mijn ziel geen ziekte opdoet, en altijd gezond blijft. Zorg voor haar door geest en woord, want dat is mijn heil, en ook al versmachten in mij lichaam en ziel, dan nog zijt gij, God, mijn troost en het erfdeel van mijn hart. (ps. 73) |
| 6. Koraal | |
| Herr, wie du willt, so schick’s mit mir im Leben und im Sterben, allein zu dir steht mein Begier, Herr, laß mich nicht verderben! Erhalt mich nur in deiner Huld, sonst wie du willt, gib mir Geduld; dein Will der ist der beste. |
Heer, beschik mijn leven zoals gij
wilt, in leven en in sterven; Enkel naar u gaat mijn verlangen uit, Heer, laat mij niet te gronde gaan! Houd mij staande in uw gunst, en wat gij verder ook wilt, geef mij geduld; uw wil is de beste. |
