//bach.de/leben/pics/signature.gif

Home cantates varia biografie


BWV 140: Wachet auf ruft uns die Stimme

beluister hier alvast het duet der (geestelijk) verliefden:

   

Hermeneutische inleiding: het Hooglied der geestelijke liefde

In de jonge kerk is al vrij snel een heel creatieve manier van bijbellezen ontwikkeld om oud-testamentische teksten (die Israel als context hebben) betekenis te geven voor christenen (niet-Israel). Men zocht en vond er een geestelijke betekenis in: de allegorische Schriftuitleg. Het lijkt over de oorlogen van Israel te gaan, maar in werkelijkheid gaat het over de geestelijke strijd in de ziel van de mens. In het allereerste begin van de kerkgeschiedenis is deze wijze van lezen nog met een reuk van ketterij omgeven (de gnostische bisschop Valentinus was er bijv. een meester in en ook Origenes kon het goed en werd verketterd). Al snel werd deze manier van bijbeluitleg echter incontournable en creëerde een fantastische spirituele wereld vol verborgen (mystieke) verbanden: een netwerk aan betekenissen.

 

De Lutherse specialiteit op dit veld is dat die geestelijke betekenis altijd ‘Christus’ (als ‘inbegrip’ van Gods heil) moet zijn, en wel met name in relatie tot ons. De ganse Schrift ‘treibt Christum’. Het hoeft ons dan ook niet te verbazen dat Heinrich Schütz mystieke teksten, toegeschreven aan Bernardus van Clairvaux (O bone Jesu) kan toonzetten en dat Dietrich Buxtehude alle ‘Membra Jesu Nostri’ van een diepzinnige geestelijke betekenis kan voorzien. En dat bij Bach de ziel geregeld in een innige dialoog met Christus is gewikkeld en dat dat dus het Hooglied een voornaam bijbelboek wordt: Het lijkt over fysieke aantrekking en erotiek te gaan, maar eigenlijk gaat het over de geestelijke liefde; in dit geval naast de kwestie, maar soit).

Niet alleen de Mattheüspassie (met als basisallegorie ‘de dochters van Sion’ uit het Hooglied als vriendinnen van de bruid = de ziel van de gelovige of de gemeenschap der gelovigen) en de Johannespassie (met de aan het slot de intrek van het lichaam in ‘sanfte Ruh’ in het Schlafkämmerlein), maar ook veel van zijn cantateteksten veronderstellen een vanzelfsprekende allegorese.  Zo ook de beroemde cantate 'Wachet auf ruft uns die Stimme' (koraalcantate).

 

Deze Schriftuitleg was in de ‘stichtelijke lectuur’ en in de predikatiën van zijn tijd alomtegenwoordig. De bruid kon natuurlijk niet Maria zijn, maar wel de kerk, maar in de 18de eeuw ook steeds vaker de ziel van de gelovige. Dat was in de Lutherse orthodoxie (waartoe Bach behoorde) het geval en dat was nog veel meer het geval in het piëtisme dat in die tijd begint op te komen. In al haar verzet tegen de ‘moderne tijd’ is dit piëtisme volkomen modern in haar zware accent op de individuele vroomheid en de persoonlijke doorleving van het geloof. Zeker in de dialoog-cantaten (bijv. Selig ist der Mann - BWV 57 – één lange smachtende dialoog tussen Jezus en de zwaarverliefde ziel)  is het Hooglied nooit ver weg. Theologie-historisch komt daar wat Bach betreft nog één ding bij: het mystieke verlangen naar de eenwording met Christus was een vast onderdeel van de avondmaalsspiritualiteit. Opnieuw blijkt de Lutherse liturgie de bedding van de oude katholieke traditie niet verlaten te hebben: het eten en drinken van brood en wijn verenigt de ziel niet alleen maar ‘symbolisch’ met Christus (zo Zwingli, van wiens avondmaalsopvatting Luther gruwde), maar werkelijk en effectief. Het Hooglied verschaft de priesters de rituele teksten en de dichters de mystieke taal die deze geloofsbeleving bij benadering onder woorden kan brengen.

 

Philipp Nicolai, de meesterzanger die 'Wachet auf ruft uns die Stimme' heeft geschreven, beheerste de materie volledig. En de tekstschrijver van het libretto haalt dat mystieke liefdeselement nadrukkelijk naar voren in twee verliefde duetten tussen Christus en de ziel. Enjoy !

 

 

BWV 140

VERTALING van BWV 140

bijbelse referenties

1. Coro

Wachet auf, ruft uns die Stimme
Der Wächter sehr hoch auf der Zinne,
Wach auf, du Stadt Jerusalem!
Mitternacht heißt diese Stunde;
Sie rufen uns mit hellem Munde:
Wo seid ihr klugen Jungfrauen?
Wohl auf, der Bräutgam kömmt;
Steht auf, die Lampen nehmt! 

Alleluja!
Macht euch bereit
Zu der Hochzeit,
Ihr müsset ihm entgegen gehn!

1. Koraal

Op, waakt op! zo laat zich horen

de roep der wachters op de toren:

Waak op, gij stad Jeruzalem !

Middernacht is aangebroken;           

wij worden door hen aangesproken :

gij wijze maagden, waar zijt gij ?

Sta op ! de Bruidegom naakt;

Ontsteekt uw lampen – waakt!

Halleluja,

maakt u gereed

voor ’t bruiloftsfeest.

gij moet Hem ijlings tegengaan.”

[Mattheus 25:1-13]

[Jesaja 21:11-12]

 

2. Recitativo 

Er kommt, er kommt,
Der Bräutgam kommt!
Ihr Töchter Zions, kommt heraus,
Sein Ausgang eilet aus der Höhe
In euer Mutter Haus.
Der Bräutgam kommt, der einem Rehe
Und jungen Hirsche gleich
Auf denen Hügeln springt
Und euch das Mahl der Hochzeit bringt.
Wacht auf, ermuntert euch!
Den Bräutgam zu empfangen!
Dort, sehet, kommt er hergegangen.

2. Recitatief

Hij komt, hij komt,

de bruidegom komt !

Naar buiten ! gij dochters van Sion

Zijn Uitgang spoedt zich uit den hoge

naar het huis van uw moeder.

De bruidegom komt, als een ree   

als een jong hert

springt hij op de heuvels

en brengt u het bruiloftsmaal.

Waakt op, wordt wakker !

Om de bruidegom te ontvangen !

Kijk, daar komt hij al aan.

 

[Hooglied 3: 11]

[Lukas 1: 78]

[Hooglied 3: 4]

[Hooglied 2: 9,17; 8:14]

 

3. Aria (Duetto)


Sopran
Wenn kömmst du, mein Heil?
Baß
Ich komme, dein Teil.
Sopran
Ich warte mit brennendem Öle.
{Sopran, Baß}
{Eröffne, Ich öffne} den Saal
beide
Zum himmlischen Mahl
Sopran
Komm, Jesu!
Baß
Komm, liebliche Seele!

3. Aria – duet 

 

Sopraan: 

Wanneer kom je, mijn heil            

Bas: 

Ik kom, uw deel

Sopraan: 

Ik wacht terwijl de olie brandt

Sopraan/Bas

(Doe open/Ik open) de zaal 

voor het hemelse maal.

Sopraan

Kom, Jezus

Bas

Kom, mijn lieve ziel.

[Jesaja 62:11]   

[Genesis 49:18]

[Ps 16:5, 73:26; 119:57; 142:5 ?]

 

4. Choral

Zion hört die Wächter singen,
Das Herz tut ihr vor Freuden springen,
Sie wachet und steht eilend auf.
Ihr Freund kommt vom Himmel prächtig,
Von Gnaden stark, von Wahrheit mächtig,
Ihr Licht wird hell, ihr Stern geht auf.
Nun komm, du werte Kron,
Herr Jesu, Gottes Sohn!
Hosianna!
Wir folgen all
Zum Freudensaal
Und halten mit das Abendmahl.

4. Koraal

Sion hoort de wachters zingen,

zij voelt het hart van vreugd opspringen,

Z’ontwaakt meteen, staat haastig op.

Haar geliefde daalt nu stralend neder,

in waarheid sterk, in liefde teder,

haar licht breekt door, haar ster gaat op. 

Kom nu, gij aardrijks kroon,

Heer Jezus, ’s Vaders Zoon !

Zingt hosannna !

Komt allemaal

naar de feestzaal,

en vier met ons het avondmaal !

[Mattheus 25:1-13; Mattheus 22: 1-10; Openbaring 19: 7-9] 

[Num 24:17]

 

 

5. Recitativo

So geh herein zu mir,
Du mir erwählte Braut!
Ich habe mich mit dir
Von Ewigkeit vertraut.
Dich will ich auf mein Herz,
Auf meinem Arm gleich wie ein Siegel setzen
Und dein betrübtes Aug ergötzen.
Vergiß, o Seele, nun
Die Angst, den Schmerz,
Den du erdulden müssen;
Auf meiner Linken sollst du ruhn,
Und meine Rechte soll dich küssen.

5. Recitatief

Kom maar binnen,

mijn uitverkoren bruid !

Ik heb mij voor eeuwig

als bruidegom aan u verbonden

U wil ik op mijn hart,

op mijn arm als een zegel zetten            

en uw bedroefde oog verblijden.

Vergeet nu, o ziel,

de angst en de smarten

die u hebt moeten dulden;

Op mijn linker(arm) zult gij rusten

En mijn rechter(arm) zal u omhelzen.

 

[Hosea 2: 18/19]

[Hooglied 8:6]

[Hooglied 8:3]

[Hooglied 2:6]

6. Aria (Duetto)

Sopran
Mein Freund ist mein,
Baß
Und ich bin sein,
beide
Die Liebe soll nichts scheiden.
{Sopran, Baß}
{Ich will, du sollst} mit {dir,mir} in Himmels Rosen weiden,
beide
Da Freude die Fülle, da Wonne wird sein.

6. Aria – Duet

Sopraan: 

Mijn geliefde is van mij,

Bas: 

en ik ben van hem,             

beide: 

Deze liefde mag niets scheiden.

(Sopraan/Bas): 

Ik (wil/Gij) zult  met (u/mij) temidden van hemelse rozen weiden,

beide

Waar het vol van vreugde, ja zalig zal zijn.

 

 

[Hooglied 2:16]

[Hooglied 6:3]

[Ps 16:11, Jes 35:10]

7. Choral

Gloria sei dir gesungen
Mit Menschen- und englischen Zungen,
Mit Harfen und mit Zimbeln schon.
Von zwölf Perlen sind die Pforten,
An deiner Stadt sind wir Konsorten
Der Engel hoch um deinen Thron.
Kein Aug hat je gespürt,
Kein Ohr hat je gehört
Solche Freude.
Des sind wir froh,
Io, io!
Ewig in dulci jubilo.

7. Koraal

‘Gloria’ zij u gezongen

met mensen- en met englentongen

met snarenspel en cymbeltoon.

Paarlen zijn der poorten bogen,

in uwe stad zo opgetogen,

met englen dansen we om uw troon.

Geen oog heeft ooit vermoed,

geen oor heeft ooit gehoord

zulk een vreugde.

Blij zingen wij,

hojo, hojo !

eeuwig ‘in dulci jubilo’

 

[Openbaring 21]

[Openbaring 5:13; 7:11-12]

[Psalm 150]

[Openbaring 21:12]

[1 Korinthiers 2:9]

 

- Om de innige band tussen deze cantate en de tekst van het 'Hooglied' te ontdekken heb ik op een mijn webpagina enige uittreksels uit het Hooglied opgenomen. Hieronder kunt u de vergelijking zelf maken..

- Voor degenen die meer willen weten over de geschiedenis van de uitlegging van het Hooglied als mystieke tekst, die de liefdesrelatie tussen God en zijn volk-de ziel-de kerk beschrijft heb ik een klein opstel geschreven over erotische liefde en bruidsmystiek, d.w.z. over de allegorische uitlegging van het Hooglied... in het Engels..

 

 

 

Extracten uit het Hooglied

BWV140 (Wachet auf …)

H. 2

vrouw:

3 Als een appelboom onder de bomen des wouds,

zo is mijn geliefde onder de jonge mannen.

In zijn schaduw begeer ik te zitten

en zoet is zijn vrucht voor mijn verhemelte.

 4 Hij heeft mij gebracht naar het wijnhuis

en zijn banier over mij was de liefde.

 5 Sterkt mij met rozijnenkoeken,

verkwikt mij met appels,

want ik bezwijm van liefde.

 6 Zijn linkerarm is onder mijn hoofd

en zijn rechterarm omvangt mij!

(idem h. 8)

 

 

 

 

 

 

5. recitativo

[...]

Vergiß, o Seele, nun
Die Angst, den Schmerz,
Den du erdulden müssen;
Auf meiner Linken sollst du ruhn,
Und meine Rechte soll dich küssen.

7 Ik bezweer u, dochters van Jeruzalem,

bij de gazellen of bij de hinden des velds:

wekt de liefde niet op en prikkelt haar niet,

vóórdat het haar behaagt

 

8 Hoor - mijn geliefde!

Zie, daar komt hij,

springend over de bergen,

huppelend over de heuvelen.

 9 Mijn geliefde is als een gazel

of het jong van een hert.

Zie, hij staat achter onze muur,

kijkend door de vensters,

spiedend door de traliën.

 10 Mijn geliefde spreekt tot mij:

Sta toch op, mijn liefste,

mijn schone, en kom.

 11 Want zie, de winter is voorbij,

de regen is over, verdwenen.

[....]

16 Mijn geliefde is van mij en ik ben van hem,

die te midden der leliën weidt,

      Luther vertaalt: rozen i.p.v. leliën

17 tot de avondwind waait

en de schaduwen vlieden.

Wend u hierheen,

en doe als de gazel, mijn geliefde,

of als het jong van een hert op de gekloofde bergen.

2. Recitativo 

Er kommt, er kommt,
Der Bräutgam kommt!
Ihr Töchter Zions, kommt heraus,
Sein Ausgang eilet aus der Höhe
In euer Mutter Haus.
Der Bräutgam kommt, der einem Rehe
Und jungen Hirsche gleich
Auf denen Hügeln springt
Und euch das Mahl der Hochzeit bringt.
Wacht auf, ermuntert euch!
Den Bräutgam zu empfangen!
Dort, sehet, kommt er hergegangen.

 

6. Aria (Duetto)

Sopran
Mein Freund ist mein,
Baß
Und ich bin sein,
beide
Die Liebe soll nichts scheiden.
{Sopran, Baß}
{Ich will/du sollst mit dir/mir in Himmels Rosen weiden,
beide
Da Freude die Fülle, da Wonne wird sein.

 

H. 3:

’s nachts

1 Op mijn legerstede des nachts

zocht ik mijn zielsbeminde;

ik zocht hem, maar ik vond hem niet.

 2 Ik wil opstaan en rondgaan in de stad,

op straten en pleinen

en mijn zielsbeminde zoeken;

ik zocht hem, maar ik vond hem niet.

 3 De wachters, die in de stad hun ronde deden,

troffen mij aan;

,,Hebt gij ook mijn zielsbeminde gezien?''

 4 Nauwelijks was ik hen voorbijgegaan,

of daar vond ik mijn zielsbeminde.

Ik greep hem vast en wilde hem niet loslaten,

totdat ik hem gebracht had in het huis van mijn moeder,

in de kamer van haar die mij gebaard heeft.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

de ‘wachters’ op de tinnen
Zion, hört die Wächter singen

 5 Ik bezweer u, dochters van Jeruzalem,

bij de gazellen of bij de hinden des velds,

wekt de liefde niet op en prikkelt haar niet,

vóórdat het haar behaagt.

 

H. 8

verlangen

1 Och, waart gij als mijn broeder,

aan de borst van mijn moeder gezoogd!

Vond ik u dan buiten,

ik kuste u en niemand zou mij daarom laken.

 2 Ik zou u leiden,

ik zou u brengen naar het huis van mijn moeder,

die mij opvoedt;

van geurige wijn zou ik u te drinken geven,

van de jonge wijn mijner granaatappelen.

3 Zijn linkerarm is onder mijn hoofd

en zijn rechterarm omvangt mij.

 

 

 

 

 2. recitativo

[...]

Sein Ausgang eilet aus der Höhe
In euer Mutter Haus.

 

 

 

 

z.b.

4 Ik bezweer u, dochters van Jeruzalem,

waarom wilt gij de liefde opwekken en prikkelen,

vóórdat het haar behaagt?

 

5 Wie trekt daar op uit de woestijn,

leunend op haar geliefde?

- Onder  de appelboom wekte ik u,

daar ontving u uw moeder,

daar ontving zij, die u baarde.

 6 - Leg mij als een zegel aan uw hart

als een zegel aan uw arm.

Want sterk als de dood is de liefde

onverbiddelijk als het rijk van de doden de hartstocht, haar vlammen zijn vuurvlammen,

een vuurgloed des HEREN

 

5. Recitativo

So geh herein zu mir,
Du mir erwählte Braut!
Ich habe mich mit dir
Von Ewigkeit vertraut.
Dich will ich auf mein Herz,
Auf meinem Arm gleich wie ein Siegel setzen

 

Nederlands Bijbelgenootschap. Vertaling 1951

 

 

 

 

 

 

Home cantates varia biografie


Dick Wursten (dick@wursten.be)