BWV 54: Widerstehe doch der Sünde
voor homilieën
tijdens de Bach-cantatevieringen in de Sint-Norbertuskerk zijn er aparte
pagina's:
-
2026: Overweging over het begrip
zonde (verhaal van de verloochening
door Petrus)
- 2019:
Homilie
over de onvruchtbare vijgeboom in de
wijngaard
(Lukas 13:6-9)
Muzikale achtergrond van BWV 54 met een visualisatie van de compositie, een uitvoering door Kai Wessel en een vertaling
Het libretto (Christian Lehms)
Hieronder ziet u een foto van de tekst voor de 'Mittags-Andacht' (vesper) voor zondag Oculi uit G.Chr. Lehms, Gottgefälliges Kirchenopffer (Darmstadt, 1711). Dat is het libretto van de cantate. In de hoofdviering stond de Evangelielezing centraal, in de vesper vaak de Epistellezing (apostolische brieven, i.c. Efeziërs 5:1-10 - een 'ethische vermaning')

In Efeziërs 5 lezen we in vers 6: Lasset euch niemand verführen
mit vergeblichen Worten; denn um dieser
Dinge willen kommt der Zorn Gottes über die Kinder des Unglaubens.
Het thema van 'verleidelijkheid' van de zonde (en het verzet ertegen)
beheerst de cantate.

De tekst van Lehms waarschuwt in beeldrijk barok vocabulaire tegen de (verleidingen) van de zonde. Verzet je ertegen als je erdoor wordt belaagd (aria 1). Je kunt ze herkennen, die verleiding: ze zijn van buiten schoon, maar van binnen rot (recitatief). Als je dat weet, dan trap je er niet in, en is het gedaan met macht van de satan. Dat deze tekst door de Luthers-orthodoxe censuur is gekomen, is een wonder. Zo simpel is/was het niet (zie mijn preek uit 2026 over 'de zonde'). Maar goed: misschien een pedagogisch motief: je moet de ‘kinderkens’ het gevoel geven dat ze het ‘kunnen’…
Qua vorm dus een schoolvoorbeeld van wat in 1711 ‘modern' was, vooruitstrevend qua kerkmuziek: vrij gedichte teksten geïnspireerd op het model van de Italiaanse huis opera (‘cantate’), d.w.z. de opvolging van recitatief en aria. Dat moest in de plaats komen van de 17de eeuwse kerkmuziek, met haar focus op bijbelteksten en kerkliederen (koralen). Dat vond men ‘ouderwets’. BWV 54 heeft bijbeltekst noch koraal, enkel een grote openingsaria die middels een recitatief verbonden wordt met een slotaria. Lange tijd heeft men gedacht dat de cantate incompleet was, tot er een exemplaar van Lehms' publicatie opdook. De instrumentale bezetting (twee violen, twee altviolen en continuo) is zeer effectief en expressief. De hoge technische eisen die deze cantate aan de zanger (alt) en de strijkers stelt, weerspiegelen het niveau van de professionele musici waarover de hofkapel beschikte, en waar Bach mee mocht werken. Allemaal solisten.
De muziek is die van de ‘jonge Bach’ maar de ‘oude Bach’ heeft die later met een gerust geweten nog eens benut voor zijn (verloren gegane Markuspassion). De tekst werkte inspirerend, en ligt duidelijk aan de basis van de muzikale inventie. Zo hoor je in de eerste aria (1), vanaf het eerste akkoord, dat de strijd tussen goed en kwaad op harmonisch vlak zal worden uitgevochten: de 4 vioolstemmen tegen de basstem (cello/continuo). Het dominant-septiem akkoord waarmee de cantate begint, wil oplossen maar wordt 5 maten lang tegengewerkt door de bas, die consequent de grondtoon aanhoudt en begint pas mee te bewegen als de strijkers aanvaardbare harmonieën beginnen te produceren. In het daaropvolgende recitatief (2) vliegt de bas er twee keer uit, toevallig (niet dus) op het moment dat het over de ‘dodelijke vloek’ gaat. Voor aria (3) groeperen de vier strijkers zich tot twee stemmen (violen, altviolen), die samen met de bas/continuo en de gezongen alt, een vierstemmige fuga neerzetten: zanger en instrumentisten zijn volledig gelijkwaardig. Een contrapunt (tegenthema) in de fuga is een chromatisch dalende lijn (zondeval?), een ander een lange sliert kronkelende zestienden (de slang?). Niet van belang eigenlijk. Ook Augenmusik moet je horen. Het gaat om het ‘affect’, wat het bij de luisteraar teweegbrengt.
Een visualisatie van de cantate...
Sterke uitvoering: Kai Wessel
Verzet u toch tegen de zonde,
anders krijgt haar gif je te pakken.
Laat Satan je niet verblinden;
want wie Gods eer schendt
treft een vloek, die dodelijk is.
Recitatief [Alt]
Wat die vervloekte zonden karakteriseert
is dat ze van buiten wonderschoon lijken
maar dat je daarna pijnlijk moet ervaren
dat ze je diep ongelukkig maken.
Van buiten lijkt het al goud wat er blinkt
maar als je er echt op ingaat,
krijgt je slechts een lege schaduw te zien
een witgepleisterd graf.
Het lijkt op de Sodoms-appels [1]
en die zich ermee afgeven,
zullen het koninkrijk van God niet binnengaan.
Het is als een scherp zwaard
dat lichaam en ziel doorklieft.
Aria [Alt]
Wie zonde begaat is (een kind) van de duivel,
want hij heeft die in de wereld gebracht.
Maar als je je
tegen haar ellendige ketenen
geconcentreerd-vroom (hebt) verzet, - mit rechter
Andacht widerstanden
dan maakt ze zich
meteen uit de voeten - hat sie sich gleich davon gemacht
[1]Sodoms appels worden door de antieke auteurs (beginnend met een algemene aanduiding in de ‘Wijsheid van Salomo’ en dan met precisie bij Flavius Josephus) beschreven als 'vruchten die er prachtig uitzien van buiten, maar van binnen rook en as bevatten'. Spreekwoordelijk zijn ze geworden. Duidelijk een mutatie op grond van de ‘vernietiging van Sodom en Gomorra’ (vuur en zwavel). Giftig natuurlijk. Diverse reizigers hebben ze gezien meestal samen met de zoutpilaar die de vrouw van Lot was. Beide even reëel. Echte planten/vruchten die in aanmerking komen als factische basis voor de legendarische zijn: Solanum linnaeanum (of sodomaeum) (geel als de vrucht rijp is, giftig). Nog beter echter de Calotropis procera die giftige witte melk bevat en bij volle rijpdom ‘explodeert’.
Dick Wursten (dick@wursten.be)
