[ Home ][ cantates ][ varia ][ biografie ]
Het leek wel of ze allemaal stonden te dringen om de
post. Cantor was het, dat is zangleider van het jongenskoor van de Thomaskerk
(en bovenmeester, leraar en toezichthouder, maar dat stuk van de baan waren ze
vaak liever rijk dan kwijt). En Director Musices in dienst van de stad. Dat
betekende: In alle stadskerken de muziek voorzien, cantates, motetten en op de
kerkelijk feestdagen iets bijzonders natuurlijk. En bij elk jubileum of feest in
de stad, bij de opening van de nieuwe beurs, de begrafenis van een vorstin, de
blijde intrede van de vorst, hoog bezoek, etc.. speciale muziek componeren
en uitvoeren.
Het is eind 1722, G.Ph. Telemann, niet de geringste onder de componisten en reeds met een
soortgelijke job voorzien in Hamburg, wordt benaderd. Men zet hoog in. Hij toont zich
geïnteresseerd. Hij had wel aanvaringen gehad als student met de vorige cantor,
Kuhnau, maar dat was men bij de Raad van Leipzig al vergeten. En naast een hele
reeks bekende en minder bekende namen, komen we ook Johann Friedrich Fasch
tegen. Hij was schoolgegaan in Leipzig en had onder
Kuhnau nog in het Thomaskoor gezongen; en net als Telemann – als student een
Collegium Musicum opgericht. In onderlinge competitie zeker (ook tussen beide
koffiehuizen), maar toch vooral om een eigen muziekcircuit te hebben naast het
officiële: Veel studenten (er was geen muziekfaculteit), enkele docenten,
vrienden, onder wie geregeld beroepsmusici die wel eens wat anders wilden.
Zoveel is er nu ook niet veranderd.
Telemann’s sollicitatie voor de post
in Leipzig was misschien niet helemaal serieus. Hij zegde in elk geval af, omdat
hij 'niet weg kon uit Hamburg’. Daar had men z’n loon ondertussen verdubbeld. Je
zou voor minder eens een sollicitatie ensceneren. Fasch wilde wel graag. Hij had net een soortgelijke baan aangenomen in Zerbst, een stadje zo’n 50 km ten
noorden van Leipzig. Hij verdiende er nog niet de helft van het tractement dat
Leipzig bood, om nog maar te zwijgen van het prestige. Leipzig met z’n Messe,
met z’n universiteit en vooral met z’n theologische faculteit, de top van
Duitsland. Hij wilde wel, maar mocht niet. Een musicus was toen geen vrij beroep, men was in loondienst en aan handen en voeten gebonden.
Als de
ene na de andere kandidaat afvalt, u kent het verhaal, komt er in 1723 een
andere kandidaat bovendrijven. Hij had nog niet gesolliciteerd, maar werd al wel
'genoemd’. Een klaviertijger, fameus organist, maar toch vooral bekend van
wereldse muziek: de hofcomponist van Köthen, Johann Sebastian Bach. Zijn
proefoptreden met twee cantates, kent veel bijval en langzaam wordt hij incontournable. Het grootste bezwaar is dat hij geen diploma heeft, ik bedoel
niet in de muziek (dat bestond niet), maar gewoon een academische opleiding. Een
muzikant die een dergelijke functie ambieerde moest gestudeerd hebben. Als
cantor moet hij de leerlingen de catechismus aanleren, en de Latijnse taal en de
dichtkunst. Bach was nooit afgestudeerd geraakt…
Men aarzelt.
Vlak voor de beslissing moet vallen, komt een raadslid nog met een alternatief
op de proppen. Hij heeft gehoord dat er nog een cantor is in Pirna, die wel heel
geleerd is en een deftig mens. Men besluit zich alsnog te informeren, maar het
loopt met een sisser af. Hij mag dan wel afgestudeerd zijn, maar zijn muziek is
wel erg saai, beneden het minimumpeil dat Leipzig stelt.
Ergo: het
wordt Bach.
[ Home ][ cantates ][ varia ][ biografie ]
Dick Wursten (dick@wursten.be)